ECLI:NL:RBOBR:2018:2901
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Redelijkheid tijdsbeslag taxatierapport agrarisch object voor WOZ-waarde
Eiser betwistte de door verweerder toegekende vergoeding van de kosten van een taxatierapport voor een agrarisch object, stellende dat een tijdsbesteding van 8 uur reëel was in plaats van de door verweerder gehanteerde 4 uur. De zaak betrof de vaststelling van de WOZ-waarde van een melkveehouderij per 1 januari 2016.
Tijdens het bezwaar en de zitting werd besproken dat de inpandige opname van het object op 12 juli 2017 had plaatsgevonden, terwijl verweerder op 6 juni 2017 telefonisch contact had gehad over de duur van de opname. De rechtbank concludeerde dat de verklaring van eiser over een korte opname niet op de feitelijke opname van toepassing was.
De rechtbank overwoog dat het taxatierapport van Emons slechts op twee punten afweek van de eerdere taxatie van verweerder en dat de inpandige opname vooral diende ter onderbouwing van eerder ingenomen standpunten. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er daadwerkelijk 8 uur aan de taxatie was besteed, mede omdat geen factuur was overgelegd.
Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat een tijdsbeslag van 4 uur redelijk was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de hoogte van de vergoeding van de taxatiekosten wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van 4 uur wordt als redelijk beschouwd.