Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
17 januari 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
1. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 oktober 2010 tot en met 27 november 2014 te Son, gemeente Son en Breugel, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschrift(en) van de aan [bedrijf 1] verleende omgevingsvergunning van de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant van 21 september 2007, welk(e) voorschrift(en) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het in werking hebben van een inrichting, gelegen aan of nabij [adres 2] , bestemd voor (onder meer) het op- en overslaan en bewerken van diverse afvalstoffen, gelegen aan/nabij de [adres 2] , aangezien door haar en/of haar medeverdachte(n) toen aldaar
terwijl deze/die opslag(en) (telkens) niet werd(en) gevolgd door nuttige toepassing;
terwijl deze/die opslag(en) (telkens) niet werd(en) gevolgd door nuttige toepassing, terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan deze verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven en/of daartoe opdracht heeft gegeven;
2. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 oktober 2010 tot en met 27 november 2014 te Son, gemeente Son en Breugel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking, van een inrichting en/of het na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zijnde genoemde inrichting een inrichting, als bedoeld in Onderdeel C, categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, die was gelegen aan de [adres 2] , bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit het toen aldaar telkens opslaan van afvalstoffen (teerhoudend asfaltgranulaat) tot een hoogte van (telkens) meer dan 15 meter;
De formele voorvragen.
Vrijspraak van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
nietop de opslag van TAG; de opslag van TAG op zich betreft een nuttige toepassing. Ook het voorschrift met betrekking tot de hoogte is volgens de verdediging niet van toepassing op de opslag van TAG, nu dit voorschrift voor niet brandbare stoffen geldt, terwijl TAG een brandbare stof betreft. Voorts is geen sprake van daderschap en opzet.
De vergunning.
De duur van de opslag van TAG (feit 1).
[pag. 828] blijkt dat [bedrijf 1] in de jaren 2007 tot en met 2014 TAG heeft ingenomen, maar zich daarvan niet heeft ontdaan. Daardoor zijn – aldus de officier van justitie – de voorschriften 5.4.1 en 5.4.2 verbonden aan de aan [bedrijf 1] verleende vergunning van
21 september 2007 overtreden, kort gezegd inhoudende dat afvalstoffen niet langer dan 1 jaar mogen worden opgeslagen dan wel, indien de opslag gevolgd wordt door nuttige toepassing, niet langer dan 3 jaar. Door de verdediging wordt op zich erkend dat (een deel van) het TAG langer dan 3 jaar lag opgeslagen. De verdediging heeft echter aangevoerd dat deze voorschriften, bij correcte en richtlijnconforme uitleg van de begrippen, niet zien op de opslag van TAG; de opslag van TAG betreft een nuttige toepassing, aldus de verdediging.
De hoogte van de opslag van TAG (feit 2).
niet brandbarestoffen geldt, dat TAG een brandbare stof is en dat de bepalingen over de opslaghoogte dus niet op het ingenomen TAG ziet.
brandbarestoffen minder zware regels voor opslag zouden gelden dan voor niet brandbare stoffen.
Opzet
De aansprakelijkheid van de rechtspersoon.
De aansprakelijkheid van verdachte als feitelijk leidinggever.
Conclusie.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit.
[bedrijf 3] en [bedrijf 1] hebben op tijdstippen in de periode 1 oktober 2010 tot en met 27 november 2014 te Son, gemeente Son en Breugel, opzettelijk gehandeld in strijd met voorschriften van de aan [bedrijf 1] verleende omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant van 21 september 2007, welke voorschriften betrekking hadden op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het in werking hebben van een inrichting, gelegen aan of nabij [adres 2] , bestemd voor (onder meer) het op- en overslaan en bewerken van diverse afvalstoffen, gelegen aan/nabij de [adres 2] , aangezien door haar en haar medeverdachte toen aldaar
terwijl deze opslag telkens niet werd gevolgd door nuttige toepassing, terwijl hij, verdachte, aan deze verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven;
Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit.
[bedrijf 3] en [bedrijf 1] hebben op tijdstippen in de periode 1 oktober 2010 tot en met 27 november 2014 te Son, gemeente Son en Breugel opzettelijk zonder omgevingsvergunning een project uitgevoerd, dat bestond uit het veranderen van de werking van een inrichting en het, na de werking te hebben veranderd, in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking, zijnde genoemde inrichting een inrichting, als bedoeld in Onderdeel C, categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, die was gelegen aan de [adres 2] , bestaande die veranderde werking uit het toen aldaar telkens opslaan van afvalstoffen (teerhoudend asfaltgranulaat) tot een hoogte van meer dan 15 meter, terwijl hij, verdachte, aan deze verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en/of maatregel.
Algemeen
De strafmodaliteit
Conclusie
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit.
Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit.
Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
Ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde feiten.
taakstrafvoor de duur van
50 uren [vijftig uren]te vervangen door 25 dagen hechtenis indien veroordeelde deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht.