Art. 93 RvArt. 94 lid 2 RvArt. 94 lid 3 RvArt. 97 lid 1 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rechtbank Oost-Brabant houdt zaak aan en wijst comparitie in civiele procedure tussen Danca en Home Series
In deze civiele procedure tussen Danca Nederland B.V. en Home Series c.s. stond de vraag centraal of de zaak geheel of gedeeltelijk verwezen moest worden naar de kantonrechter vanwege de aanwezigheid van huurvorderingen in reconventie. Danca stelde primair dat geen verwijzing noodzakelijk was, subsidiair dat slechts de huurvorderingen verwezen moesten worden. Home Series c.s. verzocht om geen verwijzing, gelet op de samenhang en doelmatigheid.
De rechtbank oordeelde dat hoewel enkele onderdelen van de reconventionele vordering huur betroffen en derhalve in principe door de kantonrechter behandeld moeten worden, de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. De rechtbank besloot daarom, afwijkend van artikel 94 lid 2 RvPro, de zaak in zijn geheel aan zich te houden. Dit mede omdat partijen expliciet wensten de zaak niet te verwijzen en de rechtbank één sector kent waarin rechters zowel kantonrechter als kamerrechter zijn.
De rechtbank beval een comparitie waarin partijen, bijgestaan door advocaten, inlichtingen moeten geven en de mogelijkheid van een minnelijke regeling wordt onderzocht. Partijen moeten tijdig schriftelijke conclusies indienen en worden gewezen op de gevolgen van niet verschijnen. De comparitie zal ook de verdere proceduregang bepalen, inclusief mogelijke schikking of mediation.
De rechtbank stelde de datum van de comparitie nog vast en gaf nadere procesinstructies, waaronder de verplichting tot vertegenwoordiging door bevoegde personen en de reservering van vier uur zittingstijd. Alle verdere beslissingen werden aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan en wijst een comparitie toe, waarbij de zaak niet naar de kantonrechter wordt verwezen.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/317578 / HA ZA 17-110
Vonnis van 2 augustus 2017
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DANCA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Veghel,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. E. Barioglu te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HOME SERIES B.V.,
gevestigd te Utrecht,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DESIGNSALES AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagden in conventie,
eiseressen in reconventie,
advocaat mr. J.P.H.C. Swarts te Soest.
Partijen zullen hierna Danca, HS en DSA en, HS en DSA gezamenlijk, ook Home Series c.s. genoemd worden.
1.De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 10 mei 2017
de akte uitlaten verwijzing van Danca van 24 mei 2017
de akte uitlaten verwijzing van Home Series c.s..
1.2.
Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.
2.De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
2.1.
Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de voorgenomen verwijzing van de zaak naar de kantonrechter.
2.2.
Danca stelt zich op het standpunt dat de zaak niet verwezen dient te worden naar de kantonrechter. Primair stelt zij dat geen sprake is van een aardzaak in reconventie en subsidiair dat enkel de onderdelen van de vordering in reconventie die een aardzaak betreffen voor verdere behandeling en beslissing naar de kantonrechter verwezen moeten worden en niet de gehele zaak omdat voldoende samenhang tussen de vorderingen ontbreekt.
Home Series c.s. verzoekt de rechtbank de zaak niet, ook niet gedeeltelijk voor wat betreft de onderdelen van de vordering in reconventie die een aardzaak betreffen, te verwijzen. Zij voert daartoe aan dat, gelet op de diversiteit aan vorderingen in conventie en reconventie en de samenhang voor wat betreft het onderliggende feitencomplex en voorgeschiedenis, uit het oogpunt van doelmatigheid een gezamenlijke berechting van de vorderingen door een andere kamer dan de kamer voor kantonzaken is geboden.
2.3.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.3.1.
Enkele onderdelen van de reconventionele vordering betreffen huur en dienen derhalve op grond van het bepaalde in artikel 93 RvPro te worden behandeld en beslist door de kantonrechter.
Artikel 94 lid 3 RvPro jo. artikel 94 lid 2 RvPro bepaalt dat in geval er sprake is van zaken in conventie en reconventie, waarvan er ten minste één een vordering betreft als bedoeld in artikel 93 onderPro c (en d) Rv, alle vorderingen door de kantonrechter worden behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
“Buiten de gevallen als bedoeld in artikel 94, derde lid, wordt een zaak in reconventie ook in afwijking van de artikelen 93 tot en met 96 behandeld en beslist door de rechter die de zaak in conventie behandelt en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.”
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 94 lid 2 RvPro de zaak in zijn geheel dient te verwijzen naar de kantonrechter indien de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
2.3.2.
De rechtbank is van oordeel dat de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. De rechtbank ziet echter aanleiding om, in afwijking van het bepaalde in artikel 94 lid 2 RvPro, de zaak niet in zijn geheel naar de kantonrechter verwijzen, maar geheel aan zich houden.
Daartoe wordt het volgende overwogen.
De reconventionele vordering bestaat uit meerdere onderdelen en slechts een enkel onderdeel daarvan betreft huur terwijl ook een vordering met betrekking tot inbreuk op auteursrechten daar onderdeel van uitmaakt. Dat partijen bij een behandeling van de (gehele) zaak zullen afzien van vertegenwoordiging door een advocaat ligt niet in de lijn der verwachtingen. Bovendien bestaat er in de rechtbank één sector voor civiele zaken waarin (vrijwel alle) rechters optreden als kantonrechter én als lid van een kamer die geen kantonzaken behandelt en beslist.
Gelet daarop en op (met name ook) de expliciet uitgesproken wens van beide partijen de zaak niet (in zijn geheel) te verwijzen naar de kantonrechter, is de rechtbank van oordeel dat zij de behandeling van de (gehele) zaak aan zich kan houden.
2.4.
De rechtbank zal thans een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
2.5.
Danca heeft de gelegenheid de conclusie van antwoord in reconventie ter comparitie te nemen. Danca moet een schriftelijke conclusie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie toezenden. Na de comparitie kan deze conclusie niet meer genomen worden.
2.6.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
2.7.
De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.
2.8.
In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.
2.9.
Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.
3.De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
3.1.
beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van de Meervoudige Kamer bestaande uit mrs. M.E. Bartels, H. Slaar en H.A.J.M. van Kaam, in het gerechtsgebouw te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
3.2.
bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 augustus 2017voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met december 2017, waarna dag en uur van zullen worden bepaald,
3.4.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van zelfstandig zal bepalen,
3.5.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
3.6.
wijst partijen er op, dat voor de zitting 4 uur zal worden uitgetrokken,
3.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2017.