Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
en/of
namens de Gemeente 's-Hertogenbosch goed te keuren
en/of
en/of
De formele voorvragen.
Vrijspraak (feit 1 primair en subsidiair en feit 4).
De officier van justitie heeft er op gewezen dat verdachte heeft nagelaten een afdoende verklaring te geven voor de stortingen van de contante geldbedragen. Van cruciaal belang op dit punt is echter – zoals ook aangevoerd door de verdediging – het tijdsverloop in deze zaak, hetgeen niet aan verdachte is toe te rekenen. De bankafschriften van verdachte zijn onderzocht voor wat betreft de periode van december 2007 tot en met april 2011. De ten laste gelegde gedragingen dateren uit het tijdvak juli 2008 tot en met september 2010, de interviews door [bedrijfsrecherche] bedrijfsrecherche vonden plaats in 2010 waarbij over steekpenningen niet werd gerept, de verhoren bij de rijksrecherche vonden eerst plaats in 2014 en de dagvaarding dateert thans van januari 2016. Door dit tijdsverloop is de verdediging ernstig belemmerd bij het formuleren van een concrete weerlegging en het geven van een alternatief scenario voor wat betreft de stortingen van contant geld. Het kan de verdediging in die zin dan ook niet verweten worden dat zij niet met een beter onderbouwd alternatief scenario komt met betrekking tot de contante geldopnames. Daar komt bij dat – hoewel het de rechtbank niet erg aannemelijk voorkomt – niet, althans niet buiten redelijke twijfel, kan worden uitgesloten dat de verklaring van verdachte juist is ten aanzien van de wijze waarop hij gaten van zijn lopende bankrekening opvulde met geld dat hij via zijn creditcard opnam.
Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het ten laste gelegde aannemen van steekpenningen door verdachte.
Digitaal onderzoek in deze zaak heeft opgeleverd dat in ieder geval een aantal van de beweerdelijk door [medeverdachte] aangeleverde adviesrapportages zijn opgemaakt nadat verdachte op non-actief was gesteld in september 2010 en nadat vanuit de Gemeente ’s-Hertogenbosch om deze adviesrapportages werd gevraagd, dit terwijl een aantal van deze adviesopdrachten reeds uit 2008 dateerden en ook kort daarop zijn betaald. Uit dit onderzoek is verder gebleken dat door [medeverdachte] slechts één of enkele minuten aan deze adviesrapportages is gewerkt, waarbij vastgesteld wordt dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij alleen werkte en dat alleen hij de adviesrapportages opmaakte. De stelling dat de adviesrapportages pas zijn opgemaakt nadat door de Gemeente ’s-Hertogenbosch om deze rapportages werd gevraagd, vindt mede steun in het gegeven dat de betreffende rapportages door geen van de betrokkenen bij de betreffende projecten zijn gezien of aangetroffen, dat [medeverdachte] niet wordt uitgenodigd op enige bouwvergadering bij deze projecten, dat de rapportages bij de Gemeente
Het rapport van [naam onderzoeksbureau 3] is op dit punt echter klip en klaar. Geconcludeerd wordt dat de rapportages generlei waarde hebben voor het doel waarvoor deze zijn aangevraagd en zeker niet de waarde vertegenwoordigen van het gedeclareerde factuurbedrag. Voorts blijkt – onder meer – uit de getuigenverklaring van de collega projectleider van verdachte, [betrokkene 3] , dat hij direct kan zien dat de aan hem getoonde adviesrapportages van [medeverdachte] van zeer slechte kwaliteit zijn. Dit alles had ook verdachte, gelet op zijn functie, duidelijk kunnen en moeten zijn.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank.
De vordering van de benadeelde partij Gemeente 's-Hertogenbosch. De rechtbank acht, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit onder 3 toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering toewijsbaar:- de onterechte betaalde facturen onder post 2 t/m 5 en 8 t/m 16 ad € 203.957,67;
Motivering van de hoofdelijkheid.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Ten aanzien van feit 2:valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.Ten aanzien van feit 3 primair:medeplegen van:oplichting, meermalen gepleegd.Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Ten aanzien van feit 2, feit 3 primair:Taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;
6 (zes) maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van 2 jaren.
2 t/m 5 en 8 t/m 16 ad € 203.957,67 en post: onderzoek [naam onderzoeksbureau 3] ad € 3.155,88).