Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2016 in de zaak tussen
Stichting Scala, te Elshout, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“vervanging binnenkozijnen en binnendeuren inclusief hang- en sluitwerk, algehele vervanging radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming, alsmede onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw met uitzondering van het buitenschilderwerk”(artikel 92, eerste lid, onder b en onder 2 van de WPO), is dat laatste na die datum niet meer het geval. Dat is de reden waarom verweerder van mening is dat zijn brief van 7 oktober 2015 geen besluit in de zin van de Awb is: er was in zijn visie op die datum niet langer sprake van een wettelijke, en dus publiekrechtelijke, grondslag voor het nemen van zo’n besluit. De gelden die in die brief zijn genoemd, zijn (zo typeerde verweerder ter zitting) ‘onverplicht’ ter beschikking gesteld aan eiseres als compensatie voor het achterstallig onderhoud dat op die datum nog bestond bij de onder eiseres ressorterende basisschoolgebouwen.
“Uit het onderzoek van PRC Arcadis, dat op 29 november 2011 naar de Tweede Kamer is gezonden, is naar voren gekomen dat het niveau van het buitenonderhoud en technische staat van de schoolgebouwen in het primair onderwijs over het algemeen goed genoemd kan worden. Immers, als er sprake is van achterstallig onderhoud, zal het bevoegd gezag de gemeente daarop moeten aanspreken.” [3] Verder is bij de totstandkoming van de wijziging van de WPO betrokken dat maatwerk, waarbij per school zou worden vastgesteld wat de staat van het onderhoud is, vanwege de complexiteit en tijdrovendheid onuitvoerbaar is. Om die reden is bij de totstandkoming van de wetswijziging gekozen voor een zogeheten ‘koude overdracht’ (kleine besturen uitgezonderd, waarvoor een – hier niet aan de orde zijnde – overgangsregeling is gemaakt) waarbij de verantwoordelijkheid per 1 januari 2015 overgaat, ongeacht de staat van het onderhoud en zonder in de lumpsum rekening te houden met achterstallig onderhoud. Ook zijn gemeenten niet verplicht om een staat van onderhoud per 31 december 2014 vast te stellen en te komen tot een financiële eindafrekening.
“In 2013 zijn er voor het laatst onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd aan de schoolgebouwen. Voor 2014 is ervoor gekozen om de aankomende wetswijziging af te wachten en van daaruit de overheveling van het buitenonderhoud te bekijken.”Ook op de zitting bij de rechtbank is door verweerder bevestigd dat in 2014 met het oog op de wetswijziging geen onderhoud is gepleegd. In plaats daarvan heeft verweerder ervoor gekozen een ‘warme overdracht’ te realiseren door – naar hij zegt in samenspraak met de schoolbesturen – te bekijken welk bedrag er nodig is om per datum wetswijziging in het aanwezige achterstallige onderhoud te voorzien. Er is een schouw verricht en op basis van een door verweerder gehanteerde ‘onderhoudsstrategie’ genaamd ‘veilig en heel’, waarbij uitgangspunt is dat schoolgebouwen veilig en heel moeten zijn, is het genoemde bedrag vastgesteld en vervolgens toegekend in de brief van 7 oktober 2015.