Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 26 november 2014
- het proces-verbaal van comparitie van 13 maart 2015 en de daarin genoemde stukken
- de conclusie van repliek in conventie
- de conclusie van dupliek in conventie
2.De feiten
Zonder opdrachtbevestiging wordt de factuur niet in behandeling genomen.
Kwaliteit
3.Het geschil
De vordering in conventie
Ten tweede beroept [gedaagde] zich op verrekening van een eigen vordering op EJT met hetgeen zij eventueel aan Soli te betalen zou hebben. Daartoe voert [gedaagde] aan dat EJT in verzuim is komen te verkeren en dat [gedaagde] haar recht op nakoming van de overeenkomst van onderaanneming - garantieverplichtingen daaronder begrepen - bij brief van 11 juni 2013 heeft omgezet in een recht op vervangende schadevergoeding. Het bedrag van die vervangende schadevergoeding wenst [gedaagde] te verrekenen. Daarnaast heeft [gedaagde] kosten gemaakt en een boete verbeurd als gevolg van fouten die gemaakt zijn door EJT, hetgeen voor [gedaagde] schade vormt die zij op EJT kan verhalen. Behalve EJT heeft ook Soli (bij het uitvoeren van een rechtstreekse opdracht van [gedaagde] aan Soli) schade veroorzaakt die zij aan [gedaagde] moet vergoeden. Ook die schadevergoeding wenst [gedaagde] te verrekenen. Ter inleiding op die verrekening heeft [gedaagde] haar betaling aan EJT c.q. Soli rechtsgeldig opgeschort.
Ten derde stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat 30% van de vordering van EJT niet door de curator van EJT kon worden overgedragen aan Soli, omdat dit gedeelte (door storting op de G-rekening van EJT) moet worden gereserveerd voor afdracht van loonheffingen.
Ten vierde neemt [gedaagde] het subsidiaire standpunt in dat zij iedere betaling aan Soli mag opschorten, totdat EJT alsnog aan haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van onderaanneming heeft voldaan.
Ten vijfde heeft [gedaagde] ten aanzien van enkele posten op de facturen van EJT betwist dat het daarin vertegenwoordigde werk is uitgevoerd, danwel dat het gefactureerde bedrag overeenstemt met de prijs die voor dat werk was afgesproken.
De verplichtingen staan ook niet op de in art. 6:262 BW Pro bedoelde wijze tegenover de aanneemsom waarvan Soli betaling vordert. De aanneemsom is verschuldigd in ruil voor tot het tot stand brengen van het glasvezelnetwerk, hetgeen is gebeurd; de garantieverplichtingen in verband waarmee [gedaagde] haar betaling opschort vormen een nevenverbintenis.
Voorts zou opschorting van betaling tot aan het moment dat integraal door EJT aan de garantieverplichtingen is voldaan, neerkomen op een opschorting tot in lengte van dagen. De garantieperiode duurt immers twintig jaar vanaf de oplevering van het glasvezelnetwerk, terwijl EJT door haar faillissement de verplichtingen ook per definitie nooit zelf zal kunnen nakomen. Een dergelijke opschorting is niet te verenigen met de aard van het opschortingsrecht, dat bedoeld is als tijdelijke maatregel en niet als een middel waarmee een schuldenaar zich blijvend van zijn verbintenissen kan ontdoen.
Tot slot voldoet opschorting van betaling van de hele aanneemsom niet aan de eis van proportionaliteit, die aan de uitoefening van een opschortingsrecht gesteld moet worden. Het bedrag waarvan [gedaagde] de betaling op wil schorten, is veel groter dan het bedrag waarvoor zij zich ooit op verrekening zou kunnen beroepen.
4.De beoordeling
(“perfect in de ruimste zin van het woord”) bezit. Dat heeft EJT niet aangetoond. Afwezigheid van een opdrachtbevestiging en afwezigheid van WKA-gegevens hebben (ieder voor zich) tot gevolg dat EJT geen aanspraak heeft op betaling van de gefactureerde bedragen.
“facturatie: na oplevering”op duidt, dat EJT geen aanspraak op betaling van de slottermijn zou kunnen maken voordat er oplevering van het werk aan [gedaagde] had plaatsgevonden. Soli betwist ook niet dat de door [gedaagde] aangehaalde bepaling deze strekking heeft, maar voert aan dat het werk feitelijk als opgeleverd moet worden beschouwd. De rechtbank volgt Soli in dit standpunt. [gedaagde] heeft het werk immers opgeleverd aan Reggefiber en Reggefiber heeft het glasvezelnetwerk inmiddels al ruim twee jaar in gebruik. Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat de inhoudelijke eisen aan het werk in de overeenkomst tussen [gedaagde] en EJT hetzelfde zijn als die in de overeenkomst tussen [gedaagde] en Reggefiber, impliceert de oplevering aan Reggefiber dat ook aan de vereisten voor oplevering aan [gedaagde] voldaan is. Daar waar het werk voltooid is en de opdrachtgever het werk aanvaard en in gebruik genomen heeft, brengt artikel 7:750 BW Pro met zich, dat de aanneemsom in beginsel opeisbaar is.
heeft in dit verband gesteld dat de heer [E] , bestuurder van EJT, reeds in mei 2013 aangegeven zou hebben dat EJT de overeenkomst van onderaanneming niet verder zou nakomen. [gedaagde] heeft EJT bij brief van 11 juni 2013 aangemaand om zich schriftelijk (alsnog) bereid te verklaren om de overeenkomst na te komen. Voor het geval die verklaring zijdens EJT uit zou blijven, heeft [gedaagde] in dezelfde brief verklaard dat zij dan haar aanspraak op nakoming - nakoming van de garantieverplichtingen daaronder begrepen - omzette in een recht op vervangende schadevergoeding. EJT heeft vervolgens niet schriftelijk verklaard dat zij bereid was om de overeenkomst van onderaanneming na te komen. De voorwaardelijke omzettingsverklaring van [gedaagde] heeft daarmee zijn effect gekregen.
mogelijketoekomstige vorderingen gaat, die nu in ieder geval nog niet bestaan en dus niet kunnen worden verrekend.
derdelid van artikel 53 Fw Pro ook kan worden tegengeworpen aan degene die een vordering van de gefailleerde overneemt van de curator, maar dat dit voor de andere twee leden van artikel 53 Fw Pro niet geldt. Daar volgt de rechtbank Soli niet in. De Hoge Raad heeft in het aangehaalde arrest juist nadrukkelijk overwogen dat zijn beslissing over reflexwerking van het derde lid voortvloeit uit de gedachte waarop het eerste lid van artikel 53 Fw Pro is gebaseerd, namelijk dat iedere schuldeiser van de boedel zijn schuld aan de boedel als “onderpand” mag beschouwen voor de betaling van zijn vordering. Nu uit artikel 6:145 BW Pro in het algemeen voortvloeit dat [gedaagde] door de cessie van de vordering van EJT aan Soli niet in de reikwijdte van haar verweermiddelen geraakt dient te worden, kan artikel 53 lid 1 Fw Pro door [gedaagde] ook tegenover Soli worden ingeroepen.
rechtsverhouding met de gecedeerde vordering kunnen worden verrekend, in plaats van vorderingen uit enigerlei “handeling” met de gefailleerde van voor het faillissement - maar ook aan die strengere eis voldoen de door [gedaagde] aangevoerde schadeposten.
“wij hebben het werk ook geheel klaargemaakt inc gebied 8 en de oplevering klaar gemaakt”Soli stelt tevens dat nergens uit blijkt dat [gedaagde] zich bij EJT heeft beklaagd over afwezigheid of gebreken aan revisietekeningen. Ook betwist Soli dat de door [gedaagde] gegeven opgave van het aantal bestede uren en de daarmee voor haar gemoeide uurtarieven klopt. Zij onderbouwt haar betwisting door erop te wijzen dat het om eigen opgaven van [gedaagde] gaat.
Het werk op project Bergeijk was uitgevoerd en [J] ik samen met [B] in Peel aan de [naam] . Nagelopen, dit richtte zich vooral op het praktijk gedeelte van het uitgevoerde werk.
In de brief waarmee zij EJT aansprak tot vergoeding van de schade, schreef [gedaagde] :
“Op of omstreeks 03 december 2013 werd tijdens het uitvoeren van werkzaamheden te Bergeijk, Lijsterbesdreef 4, een DAC-kabel beschadigd. Bijgaand treft u een kopie aan van het schadeformulier.Uit nader onderzoekis gebleken dat deze, door u, aangelegde kabel, 4 meter afwijkt van de klic melding.”(onderstreping rechtbank). Ook in haar conclusie van antwoord merkt [gedaagde] op dat de afwijking van de KLIC-melding pas door nader onderzoek na het optreden van de schade is ontdekt. Hieruit volgt dat het raken van de glasvezelkabel klaarblijkelijk niet berust heeft op een bij het bouwbedrijf levende onjuiste veronderstelling over de locatie van de kabel op basis van de KLIC-melding, maar dat het raken van de kabel en de afwijking van de KLIC-melding zich naast elkaar, doch zonder onderling verband hebben voorgedaan. De schade is dan ook niet te verhalen op EJT.
Voor zover er toch werkzaamheden aan de bestrating gedaan zouden zijn, betwist Soli dat er causaal verband bestaat tussen schade aan de bestrating en werkzaamheden van EJT. Tevens betwist Soli het aantal uren dat met het herstel gemoeid zou zijn geweest. Zij wijst erop dat [gedaagde] slechts een factuur van een stratenmaker voor € 1.652,00 (geen btw van toepassing) in het geding heeft gebracht, terwijl zij voor de rest slechts een eigen opgave van ingezette medewerkers inbrengt. Voorts stelt Soli zich op het standpunt dat [gedaagde] eerst Soli, als onderaannemer van EJT, had moeten benaderen voor herstel van de bestrating.
“Bergeijk 1B en Westerhoven zijn opgeleverd door EJT als gereed aan mij, gelijktijdig is door mij de oplevering van deze 2 gebieden aan Reggefiber (opdrachtgever Spiters) afgerond in bijzijn van [E] (EJT). Voorafgaand aan deze oplevering is het functioneel zijn van het aangelegde netwerk getest door het, vanuit de betreffende POP-locatie, inmeten van alle vezels op totale lengten (dus door de DP’s heen).”Daarnaast betwist Soli dat voor deze woning een “status 2”-aansluiting tussen [gedaagde] en EJT overeengekomen was. Soli betwist dat [gedaagde] iets aan de aansluiting van de betreffende woning heeft moeten veranderen. Voor zover het juist zou blijken te zijn dat [gedaagde] de aansluiting van de woning nog zelf heeft moeten doen, ligt het naar mening van Soli meer voor de hand dat voor deze woning de voorbereiding van een aansluiting (status 5) overeengekomen was, en dat het werk van [gedaagde] betrekking had op een reguliere “na-aansluiting”. Het realiseren van een “na-aansluiting” vormt geen schade, maar is een opdracht waarvoor [gedaagde] aan Reggefiber kan factureren. Voorts betwist Soli de omvang van de door [gedaagde] gestelde kosten.
“rekening m.b.t. door u veroorzaakte schade ter hoogte [adres 4] ”en
“doorbelasting schade [adres 4] Bergeijk”, bij welke factuur een afrekenstaat is gevoegd die kosten specificeert voor de inzet van een glasvezeltechnicus, een kraan, een grondwerker en enkele meters “patchcord”. Tot slot volgt een pagina met een drietal onleesbare (te donker afgedrukte) foto’s of tekeningen.
”
“Verslag [adres 5] verleggen tracé BERG-1B”onvoldoende onderbouwd dat de ligging van de glasvezelkabel te wijten is aan een fout van EJT. In het verslag wordt immers opgetekend dat de toedracht van de kwestie niet kon worden achterhaald. Ook de tweede post kan daarom niet worden verrekend.
“Rekening m.b.t. het doorbelasten van de verrichte werkzaamheden straatwerk aan [K] te Bergeijk”en een specificatie met
“120 uur Straatmaker”tegen een uurtarief van € 34,00 en
“16 uur Uitvoerder”tegen een uurtarief van € 52,00. De specificatie heeft als opschrift “
PV-staat herstel straatwerk [K] Bergeijk (week 45-2014)”.
“Hoi [L] , hier heb ik de andere opnames van het glasvezel en hoop dat dit volgende week allemaal mee genomen wordt.”Tot slot zijn er lijsten met adressen bijgevoegd, waarvan de titel ongeveer overeenstemt met de bestandsnamen van de bijlagen bij de e-mail van de gemeente en waarvan in ieder geval één lijst herkenbaar is als de lijst met aantekeningen van de stratenmaker die op de foto’s te zien is.
“rekening m.b.t. het doorbelasten van de door u veroorzaakte schade te Bergeijk”in het geding gebracht. Het factuurbedrag van € 105,28 bestaat uit een schadebedrag van € 62,01 en “handlingskosten” van € 25,00 en € 18,27 aan btw. [gedaagde] wil het factuurbedrag verrekenen met hetgeen zij aan EJT verschuldigd is, omdat het gaat om schade die door EJT veroorzaakt is en door [gedaagde] is vergoed. Bij conclusie van dupliek heeft [gedaagde] ter onderbouwing van haar stellingen een e-mailwisseling met de bewoner van het adres [adres 12] overgelegd, waarin een medewerker van [gedaagde] schrijft:
“rekening m.b.t. het doorbelasten van de door u verkeerd uitgevoerde werkzaamheden aan de [adres 10] te Westerhoven”in het geding gebracht. Het factuurbedrag van € 1.711,80 bestaat uit een schadebedrag van € 1.414,80 en en € 297,11 aan btw. [gedaagde] wil het factuurbedrag verrekenen met hetgeen zij aan EJT verschuldigd is.
“5563 BG 5”en als bericht:
“Rekening m.b.t. het doorbelasten van de door u verkeerd uitgevoerd werkzaamheden aan de [adres 9] ”. Het factuurbedrag is € 1.480,64 inclusief 21% btw. De productie bevat voorts diverse foto’s waarop te zien is dat er sleuven zijn gegraven en kabels in de grond zijn gelegd in een landelijk uitziende omgeving.
Een externe landmeter is ingehuurd om het gebied volgens de Reggefiber norm opnieuw in te meten en vervolgens te kunnen opleveren”volgt dat EJT de opdrachtgever van [C] was
.[gedaagde] verwijst tevens naar een e-mail van de heer [E] aan de firma [C] van 7 juli 2013, waarin de heer [E] aangeeft dat EJT de schade als gevolg van fouten bij het inmeten op [C] wil verhalen. In de betreffende e-mail benoemt de heer [E] als schade: het bedrag van € 19.050,24 dat [gedaagde] bij EJT in rekening heeft gebracht voor haar eigen werkzaamheden ter correctie van de revisietekeningen en een bedrag van € 9.000,00 aan extra kosten die EJT zelf had gemaakt.
“aansluitingen[heeft]
aangelegd, aansluitingen opnieuw[heeft]
aangelegd die EJT niet goed had aangelegd et cetera”.Daarnaast heeft [gedaagde] gesteld dat zij alle revisiewerkzaamheden voor EJT heeft moeten verrichten.
“het werkgebied van [gedaagde] ”. In het licht hiervan kan zonder nadere toelichting niet worden vastgesteld dat de vertraging van de oplevering aan Reggefiber is veroorzaakt door fouten die zich binnen de verantwoordelijkheidssfeer van EJT hebben voorgedaan.
“Inmeten Glasvezel”voor
“Uw opdracht: Project Bergeijk”.Blijkens de specificatie gaat het om werkzaamheden die zijn verricht van week 2 van 2013 tot en met week 25 van 2013, derhalve van de maanden januari tot en met juni 2013.
[gedaagde] heeft zich vervolgens in haar conclusie van dupliek, in het kielzog van haar betoog terzake de boete van Reggefiber, op het standpunt gesteld dat [C] juist in opdracht van EJT heeft gewerkt en niet in opdracht van [gedaagde] . Daarna heeft [gedaagde] in haar conclusie van dupliek aangegeven dat zij met betrekking tot de factuur van [C] een bedrag van € 28.004,78 wil verrekenen, maar hoe zij tot dat bedrag komt is niet duidelijk.
“geenszins bekend[is]
wat de exacte omvang van de schade is”.Om de gegrondheid van het opschortingsverweer te beoordelen, zal de rechtbank evenwel de omvang van de tegenvordering - desnoods bij benadering - moeten vaststellen. Het ligt daarbij op de weg van degene die zich op het opschortingsrecht beroept, om het bestaan van zijn gestelde tegenvordering en de omvang daarvan voldoende te onderbouwen (HR 21 september 2007, NJ 2009, 50).
“het ontbreken van revisiegegevens, onzekerheid betreffende het reeds in gebruik zijn van reserve tubes en de kans op verkleving”. Naar de rechtbank begrijpt schat de deskundige in dat de kans dat er in enig gegeven jaar een incident plaatsvindt waardoor zulke gebreken relevant worden en moeten worden opgelost, maal de kosten die het oplossen met zich zou brengen, resulteren in een te verwachten financiële last van € 66.625,00 per jaar.
Het tweede rapport, van Tecona B.V, noteert voor onderzoek naar de functionaliteit van de glasvezelkabels een bedrag van € 90.000,00 en een bedrag van € 30.000,00 voor de te verwachten kosten voor herstel van eventuele gebreken. Dit rapport vermeldt ook wat het zou kosten om te controleren of alle reservetubes nog vrij zijn, namelijk: € 13.500,00. Als zou blijken dat er nieuwe reservetubes moeten worden aangebracht, zouden de kosten daarvan volgens deze deskundige € 6.280,00 + € 52.520,00 = € 58.800,00 zijn. Als jaarlijks “restrisico” kwantificeert deze deskundige een bedrag van € 63.800,00, onder de noemer “graafschade”. Naar de rechtbank begrijpt is hier het verhoogde risico dat volgens [gedaagde] veroorzaakt wordt door het ontbreken van revisietekeningen en mogelijke verkleving van kabels in verdisconteerd.
“Bergeijk 1B en Westerhoven zijn opgeleverd door EJT als gereed aan mij, gelijktijdig is door mij de oplevering van deze 2 gebieden aan Reggefiber (opdrachtgever Spiters) afgerond in bijzijn van [E] (EJT). Voorafgaand aan deze oplevering is het functioneel zijn van het aangelegde netwerk getest door het, vanuit de betreffende POP-locatie, inmeten van alle vezels op totale lengten (dus door de DP’s heen).”Ook hieruit blijkt volgens Soli dat het glasvezelnetwerk al is doorgemeten.
Voorts voert Soli aan dat er in de periode dat het glasvezelnetwerk in gebruik is, nog geen enkele storing in het functioneren van de glasvezelkabels is gemeld. De schadegevallen die [gedaagde] in dit geding naar voren heeft gebracht, betreffen geen van allen het functioneren van de glasvezelkabels zelf. Daar voegt Soli aan toe dat aanlegfouten in een glasvezelnetwerk zich over het algemeen juist in de eerste periode van het gebruik openbaren; nu het netwerk al twee jaar wordt gebruikt, is de kans dat er in de toekomst alsnog iets mis zou blijken te zijn met de functionaliteit van de glasvezelkabels zeer klein.
Soli betwist dat er sprake is van verkleving van kabels, erop wijzende dat de aanwezigheid van verkleving uit niets blijkt. Soli heeft voorts de bewijskracht van de rapportages van de door [gedaagde] ingeschakelde deskundigen betwist. Daarbij wijst Soli er onder meer op dat uit de rapporten niet blijkt dat de deskundigen enig feitelijk onderzoek naar de kwaliteit van het glasvezelnetwerk hebben verricht.
over de schutting heeft moeten gooien”,zonder te weten of het van goede kwaliteit was, en dat Reggefiber daar alleen genoegen mee heeft genomen omdat er “toch” twintig jaar garantie geldt. Soli heeft dat betwist, stellende dat afzien van bedongen kwaliteitscontroles niet past bij de professionaliteit van een grote glasvezelleverancier als Reggefiber.
hoogteis van de schade die [gedaagde] stelt te zullen lijden als gevolg van het nalaten van een formele oplevering en niet-nakoming van garantieverplichtingen door EJT, maar dat ook niet kan worden aangenomen dát er concrete schade is of dreigt. In deze omstandigheden valt niet in te zien dat er reële grond is voor het geheel laten doormeten van het netwerk. Nu er op dit moment voorts geen aanleiding is om uit te gaan van wezenlijke functionele gebreken, komt aan [gedaagde] dan ook in dit verband geen opschortingsrecht toe.
hoogteis van de schade die [gedaagde] zal lijden als gevolg van niet-nakoming van garantieverplichtingen door EJT, maar dat ook niet kan worden aangenomen dát er concrete schade is of dreigt. In deze omstandigheden komt aan [gedaagde] geen opschortingsrecht toe.
“niet beschikt over revisietekeningen”, maar aan die stelling moet wegens strijdigheid met haar eerdere – en meer onderbouwde – stellingen voorbij worden gegaan. Volgens de eigen stellingen van [gedaagde] beschikt zij thans immers over de revisietekeningen die zij zelf heeft gemaakt.
hoogteis van de schade die [gedaagde] zal lijden als gevolg van niet-nakoming van garantieverplichtingen door EJT, maar geldt dat ook niet kan worden aangenomen dát er schade dreigt.
Tevens heeft Soli gesteld dat in de periode waarover [gedaagde] stelt de manurenstaten te missen, alleen Soli en een onderneming genaamd Famteam als onderaannemers van EJT aan het glasvezelproject hebben gewerkt. Voor deze ondernemingen heeft Soli “schone” verklaringen van de Belastingdienst omtrent hun betalingsgedrag in het geding gebracht, die zich uitstrekken tot ultimo mei 2013 in het geval van Famteam en tot ultimo mei 2014 in het geval van Soli.
Tot slot heeft Soli betoogd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] zich op een WKA-risico beroept in dit geval, omdat [gedaagde] gedurende het geschil met Soli door het uiten van een onterechte verdachtmaking heeft uitgelokt dat de Belastingdienst in oktober 2014 onderzoek is gaan doen in de administratie van EJT.
Onderaannemer (=opdrachtnemer) is aansprakelijk voor alle directe – en indirecte schade en kosten van [gedaagde] BV, die voortvloeit uit het niet naleven van uw verplichtingen uit deze overeenkomst of de wet.
U dient [gedaagde] BV, alsmede de opdrachtgever van [gedaagde] BV te vrijwaren voor alle kosten, schade en aanspraken van derden ter zake van, of in verband met deze overeenkomst
(…)”
De rechtbank overweegt dat de factuur tevens vermeldt:
“bestelling 1302414”, een markering waarvan Soli onbetwist heeft gesteld dat deze verwijst naar het nummer van een opdrachtbevestiging van [gedaagde] . Blijkens de eigen stellingen van [gedaagde] houdt een opdrachtbevestiging van [gedaagde] in, dat zij voorafgaande toestemming heeft gegeven om de in die opdrachtbevestiging vervatte werkzaamheden te factureren. Uit deze feiten tezamen volgt dat [gedaagde] niet alleen vanwege haar betrokkenheid bij het glasvezelproject geacht moet worden de juistheid van de factuur te kunnen beoordelen, maar dat zij klaarblijkelijk al op voorhand heeft beoordeeld wat EJT zou mogen factureren. Het had dan ook op de weg van [gedaagde] gelegen om haar betwisting van de factuur beter te motiveren dan zij heeft gedaan. Nu [gedaagde] niet heeft aangegeven in welk opzicht de gefactureerde werkzaamheden afwijken van de werkelijk verrichte werkzaamheden, gaat de rechtbank aan de betwisting van de factuur voorbij. Nu de andere verweren van [gedaagde] tegen de verschuldigdheid van deze factuur in het voorgaande tevens van de hand zijn gewezen, dient factuur 20130029 te worden betaald.
heeft betwist dat de post “ [adres 15] civiel” iets met de betreffende factuur te maken heeft.
“nog te ontvangen 20procent meer woningen 115 woningen”.
[gedaagde] heeft van deze factuur ten eerste de post van € 11.960,00 betwist, stellende dat er helemaal niet 115 meer woningen door EJT zijn aangesloten. Soli had deze factuurpost in haar dagvaarding evenwel reeds buiten haar vordering gelaten, zodat deze niet nogmaals van de door Soli ingestelde eis hoeft te worden afgetrokken.
heeft ten tweede gesteld dat er nog € 10.556,00 op de factuur in mindering moet worden gebracht. Zij voert hiertoe aan dat bij de bespreking tussen de bestuurders van [gedaagde] en EJT in Made werd geconstateerd dat er niet 3071 woningen waren aangesloten (“status 2”), zoals oorspronkelijk bij de overeenkomst van onderaanneming was voorzien, maar slechts 3052 woningen, hetgeen met zich zou brengen dat zowel de aanvangs- als de slottermijn met een bedrag van € 5.278,00 dienden te worden bijgesteld. Soli heeft hierop geantwoord dat [gedaagde] ook bij dit standpunt de 15 omstreden aansluitingen van factuur 20130039 ten onrechte buiten beschouwing laat. Soli heeft vervolgens de totaalprijs van twee aansluitingen in mindering gebracht op haar vordering. [gedaagde] heeft herhaald dat er in Made is afgesproken dat de door Soli aangehaalde 15 aansluitingen niet zouden worden gefactureerd en heeft er voorts op gewezen dat zelfs als de 15 aansluitingen erbij geteld zouden worden, het overblijvende verschil niet twee, maar vier aansluitingen zou zijn.
“met alle eventueel daaraan verbonden nevenrechten”.
Deze stelling van Soli is niet juist. Het recht op wettelijke rente is blijkens het eerste lid van artikel 6:142 BW Pro geen nevenrecht. Soli kan een aanspraak op vertragingsrente derhalve niet baseren op de grondslag dat de voorafgaand aan de overgang van de vordering verschenen wettelijke handelsrente mede aan haar overgedragen is. Nu Soli voorts niet met [gedaagde] in een contractuele verhouding staat uit hoofde waarvan zij recht kan doen gelden op de wettelijke handelsrente, kan zij slechts aanspraak maken op de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro, en wel vanaf het moment dat [gedaagde] jegens haar in verzuim is. Dat is 6 augustus 2014, de datum waarop de sommatietermijn uit de brief van de raadsman van Soli verstreek.
€ 2.640,32
“Administratie: 16 – Soli BV”.
uitzonderlijkrestitutierisico voordoet. [gedaagde] heeft niets in het geding gebracht, waaruit blijkt dat Soli een lege of inactieve vennootschap is, terwijl Soli die stelling van [gedaagde] wel onderbouwd heeft betwist. In het enkele feit dat het opschrift van de door Soli in het geding gebrachte verlies- en winstrekening niet haar precieze statutaire naam vermeldt, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat het geen uitdraai uit de boekhouding van Soli zou betreffen, te meer nu gesteld noch gebleken is dat er ook een (gelieerde) vennootschap met de naam “Soli B.V.” bestaat. Van het bestaan van een Duitse vennootschap, waarop [gedaagde] heeft gezinspeeld, is niets gebleken. Het tweede argument van [gedaagde] - de mogelijkheid dat Soli het aan haar te betalen geld direct aan derden zou doorbetalen - heeft zij niet stellig, maar slechts als een vermoeden naar voren gebracht. Bij gebreke van een concrete aanwijzing dat Soli tot directe doorbetaling verplicht zou zijn, kan de rechtbank aan het vermoeden van [gedaagde] geen gewicht toekennen.
9.030,00(3,5 punten × tarief € 2.580,00)
1.290,00(1,0 punt × factor 0,5 × tarief € 2.580,00)