Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verzoekster] , te [vestigingsplaats] , verzoekster
[persoon 1] en [persoon 2], te [woonplaats] , gemachtigde: mr. E.T. Stevens en
[bedrijf] ., te [vestigingsplaats] , gemachtigde: mr. dr. H.H. van Steijn.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
Verzoekster diende een principeverzoek in voor wijziging van het gebruik van een pand tot uitvaarthuis, maar trok dit later in omdat zij meende dat het gebruik niet in strijd was met het bestemmingsplan. Verweerder stelde dat het gebruik niet past binnen de planregels en wees op parkeerproblemen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de mededeling van verweerder geen besluit is in de zin van de Awb, omdat het indienen van een vergunningsaanvraag niet onevenredig bezwarend is en bezwaar tegen een vergunning mogelijk is.
De voorzieningenrechter kwalificeerde het uitvaarthuis als maatschappelijke voorziening, niet als bedrijf of dienstverlening, en oordeelde dat het gebruik binnen de bestemming 'Centrum' niet expliciet verboden is. Wel is sprake van een wijziging van gebruik die leidt tot een toename van parkeerbehoefte, wat in strijd is met artikel 25.1 van de planregels. Verzoekster kon dit niet uitsluiten en had een vergunning moeten aanvragen.
De voorzieningenrechter vond het verzoek om voorlopige voorziening te ver gaan, omdat het op verzoekster ligt om een vergunning aan te vragen en derden bezwaar kunnen maken. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor het gebruik van het pand als uitvaarthuis wordt afgewezen omdat geen besluit is genomen en het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan.