Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 februari 2016 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder
Procesverloop
7 oktober 2015 (het herstelbesluit). Daarbij heeft hij vergunning verleend voor de volgende activiteiten:
-verplaatsen van de oprolbare mestzak;
- op- en overslaan van niet teerhoudend asfalt;
- op- en overslaan en shredderen/verkleinen van A-hout;
- opslaan van asbest en/of asbesthoudende stoffen in twee containers van ieder 40 m3;
- het op de vrijgekomen locaties uitvoeren van opslag- en recyclingactiviteiten.
Overwegingen
Verder is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig genomen, omdat verweerder heeft beoogd de op- en overslag van groenafval en het zeven van grond en bagger te vergunnen, maar dit abusievelijk niet heeft vermeld in het dictum van het bestreden besluit.
- verweerder moet in de eerste plaats de activiteiten ‘op- en overslag van groenafval’ en ‘het zeven van grond en bagger’ vergunnen;
- voorts dient verweerder te motiveren of het bedrijf voldoet aan de VR 2014 met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 23 van de tussenuitspraak is bepaald;
- indien verweerder van mening blijft dat de aanvraag in strijd is met de Structuurvisie 2014, dient verweerder verder te motiveren waarom hij hierin een weigeringsgrond ziet.
- op- en overslaan van niet teerhoudend asfalt;
- op- en overslaan en shredderen/verkleinen van A-hout
Ingevolge artikel 1.79 van de VR 2014 wordt onder uitbreiding verstaan: vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak.
Ingevolge artikel 1.85 van de VR 2014 wordt onder vestiging verstaan: mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het bouwvlak van een bestaand bouwperceel die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.488,-.