Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
naastde toetsing van de evenredigheid van dit besluit aan het nationale recht. Nu eiser met de intrekking van zijn Nederlandse nationaliteit ook zijn burgerschap van de Unie en de daaraan verbonden rechten verliest, heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of deze intrekking in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat de gevolgen ervan voor de situatie van eiser uit het oogpunt van het Unierecht betreft. Beoordeeld moet in dat kader worden of het verlies van de rechten die een Unieburger geniet, gerechtvaardigd is in het licht van de ernst van de gepleegde inbreuk en het tijdsverloop tussen het naturalisatiebesluit en het intrekkingsbesluit. Daarbij is van belang dat eiser ontbetwist heeft gesteld staatloos te worden als hem zijn nationaliteit wordt ontnomen en dat het intrekkingsbesluit kort voordat de termijn van twaalf jaren waarna het niet meer mogelijk is om te denaturaliseren, is genomen. Het standpunt van verweerder dat het verlopen van die verjaringstermijn op zichzelf geen grond is om af te zien van intrekking omdat de wetgever nu eenmaal die grens bij twaalf jaar heeft gelegd, kan de rechtbank niet volgen; het gaat er nu juist om dat verweerder motiveert waarom, gelet op het feit dat die termijn bijna is verstreken, in het licht van alle overige omstandigheden niettemin overgaat tot intrekking.