In deze zaak vordert eiseres, een alleenstaande moeder, schorsing van de executie van een ontruimingsvonnis van 7 januari 2016, waarbij zij werd veroordeeld haar woning te ontruimen wegens structurele overlast. Eiseres stelt dat het vonnis berust op een kennelijke juridische misslag en onvoldoende belangenafweging, met name vanwege de gevolgen voor haar en haar minderjarige dochter.
De voorzieningenrechter overweegt dat het vonnis van de kantonrechter niet op een kennelijke juridische of feitelijke misslag berust. De kantonrechter heeft na bewijslevering en getuigenverhoren geoordeeld dat de overlast ernstig was en ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De motivering is beknopt maar voldoende en de belangenafweging is meegenomen.
Voorts is niet gebleken van nieuwe feiten die een noodtoestand veroorzaken die schorsing rechtvaardigen. Het feit dat eiseres en haar dochter geen opvangmogelijkheden hebben, is onvoldoende aannemelijk gemaakt en betreft een huisvestingsprobleem dat zij zelf heeft veroorzaakt. Het belang van Woonbedrijf bij ontruiming weegt zwaarder dan het belang van eiseres bij het aanhouden van de woning.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot schorsing af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.