ECLI:NL:RBOBR:2016:2260

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 mei 2016
Publicatiedatum
9 mei 2016
Zaaknummer
01/820031-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid bij massale vechtpartij

De rechtbank Oost-Brabant behandelde een zaak tegen verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij een massale vechtpartij op 17 januari 2016 te Oss. Verdachte werd beschuldigd van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met een ijzeren pijp aan twee slachtoffers, zowel primair als subsidiair.

Tijdens de terechtzitting op 25 april 2016 werd vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat de rechtbank bevoegd was om de zaak te behandelen. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, en schadevergoedingen voor de benadeelde partijen. De verdediging voerde integrale vrijspraak aan, stellende dat verdachte de geweldshandelingen ontkende en niet als medepleger kon worden aangemerkt.

De rechtbank constateerde dat het dossier meerdere, tegenstrijdige verklaringen bevatte van betrokkenen die elkaar beschuldigden van het beginnen van het geweld. Er waren letsels bij alle betrokkenen passend bij een vechtpartij, maar het ontbreken van eenduidige en objectieve bewijsmiddelen maakte het onmogelijk om de exacte rol van verdachte vast te stellen.

Gezien de onduidelijkheden over de aanleiding, het moment van betrokkenheid en de aard van de handelingen van verdachte, oordeelde de rechtbank dat de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. Verdachte werd vrijgesproken en de vorderingen van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard. De kosten werden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij de vechtpartij.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht
Parketnummer: 01/820031-16
Datum uitspraak: 09 mei 2016
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 april 2016.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 maart 2016.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 17 januari 2016 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meermalen met een (ijzeren) pijp in de richting en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] daarbij heeft vastgepakt/op de rug is gesprongen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 januari 2016 te Oss tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] een of meermalen met een (ijzeren) pijp in de richting en/of tegen hoofd te slaan en/of die [slachtoffer 1] daarbij vast te pakken/op de rug te springen;
2. hij op of omstreeks 17 januari 2016 te Oss tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen -met een (ijzeren) pijp tegen het lichaam te slaan en/of
-te slaan en/of te schoppen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie. (bijlage)

Integrale bewezenverklaringen van feit 1 primair en feit 2, waarbij verdachte telkens als medepleger kan worden aangemerkt.
Gevorderde straf en maatregelen:
*een gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een
proeftijd van 2 jaar.
*hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een
bedrag van € 1.516,66 (smartengeld € 800,= en materiële schade € 716,66), met
oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkverklaring van het
hoger gevorderde bedrag aan smartengeld.
*hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een
bedrag van € 477,35 (smartengeld € 400,= en materiële schade € 77,35), met oplegging van
de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkverklaring van het hoger gevorderde
bedrag aan smartengeld.

Het standpunt van de verdediging.

Integrale vrijspraak omdat - kort gezegd - verdachte de hem verweten geweldshandelingen ontkent te hebben gepleegd, uit het dossier niet op overtuigende of ondubbelzinnige wijze
het tegendeel volgt en verdachte niet als medepleger van het eventueel door [medeverdachte] uitgeoefende geweld kan worden aangemerkt. Gelet op de bepleite vrijspraak zijn de vorderingen van de benadeelde partijen niet voor toewijzing vatbaar.

Het oordeel van de rechtbank.

Aan de orde is de beoordeling van een geweldsincident tegen de achtergrond van een reeds jarenlang voortslepend burenconflict. Aan de rechtbank is een dossier voorgelegd dat vele, niet telkens eenduidige, verklaringen bevat die kort gezegd twee botsende versies van de feitelijke toedracht behelzen. Zowel de twee aangevers als verdachte en [medeverdachte] plaatsen zichzelf in de rol van de aangevallene en betichten de andere partij ervan te zijn begonnen met de uitoefening van het geweld. Bij alle vier betrokkenen is letsel geconstateerd dat past bij een vechtpartij. Gezien de hiervoor aangestipte achtergrond van het incident past enige behoed-zaamheid bij de waardering van de diverse verklaringen, en wel vanwege het mogelijke gevaar van het aandikken van andermans handelingen en het bagatelliseren van de eigen betrokken-heid. Dit uitgangspunt en het nagenoeg ontbreken van objectieve bewijsmiddelen bemoeilijkt de vaststelling van de feitelijke toedracht en verdachtes exacte betrokkenheid daarbij.
Hoewel het dossier wel degelijk aanwijzingen bevat voor verdachtes betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten, komt de rechtbank niet tot bewezenverklaringen. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat naar haar oordeel de aanleiding van het incident, het moment waarop verdachte bij de vechtpartij betrokken is geraakt en de feitelijke (gewelds)handelingen die hij daarbij - al dan niet uit noodweer- zou hebben verricht, niet eenduidig en zonder gerede twijfel
zijn vast te stellen. Gelet op deze onduidelijkheden kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet op overtuigende wijze als pleger of medepleger van de geweldshandelingen worden aangemerkt. De rechtbank ziet in het proces-verbaal van het uitlezen van beelden
van het voorval ook enige bevestiging voor de versie van verdachte dat hij de-escalerend
heeft opgetreden.
Al met al acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Nu verdachte integraal van de hem onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken, dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen te worden verklaard.
De rechtbank zal de kosten van de partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

DE UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
t.a.v. feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 2:Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , in de vordering. Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.
t.a.v. feit 2:Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , in de vordering. Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,
mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,
in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans en mr. S.B.C. Nicolaes, griffiers,
en is uitgesproken op 9 mei 2016.
De jongste rechter is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.