ECLI:NL:RBOBR:2016:1894
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering tot terugbetaling lening tijdens meerderjarigenbewind afgewezen voor rente en incassokosten
De rechtbank Oost-Brabant behandelde een zaak waarin eiser een bedrag van € 5.400,00 had uitgeleend aan gedaagde, wiens goederen ten tijde van het aangaan van de lening onder meerderjarigenbewind stonden. Ondanks dat eiser op de hoogte was van het bewind, werd de overeenkomst als rechtsgeldig beoordeeld omdat het aangaan van een geldlening geen beschikking over onder bewind gestelde goederen betreft.
Gedaagde voerde aan dat de overeenkomst niet rechtsgeldig was en dat zij al betalingen had verricht, zowel contant als in natura. De rechtbank verwierp het verweer dat de lening niet rechtsgeldig zou zijn en concludeerde dat gedaagde haar betalingen niet had onderbouwd, waardoor van terugbetaling geen sprake was.
De rechtbank wees de gevorderde rente af omdat in de overeenkomst was bepaald dat de lening rentevrij was. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen vanwege het ontbreken van een correcte vermelding in de aanmaning, zoals vereist volgens het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten en artikel 6:96 lid 6 BW Pro.
Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 5.400,00 en in de proceskosten, met een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. De nakosten werden eveneens toegewezen met wettelijke rente vanaf aanmaning.
Deze uitspraak benadrukt de rechtsgeldigheid van leningsovereenkomsten tijdens meerderjarigenbewind en de strikte toepassing van regels omtrent incassokosten.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 5.400,00, rente en incassokosten worden afgewezen.