In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. T. Zuidema, rechter in de rechtbank Oost-Brabant, naar aanleiding van de behandeling van een civiele procedure. Het verzoek betrof het vermoeden van partijdigheid van de rechter.
De rechtbank heeft het wrakingsverzoek beoordeeld aan de hand van de artikelen 36 en 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verzoeker baseerde het wrakingsverzoek uitsluitend op de gang van zaken tijdens een comparitie op 4 november 2014. Het verzoek werd echter pas op 15 december 2014 ingediend, terwijl het proces-verbaal van de comparitie dezelfde dag aan de advocaat van verzoeker was verzonden.
Verzoeker stelde dat de late indiening werd veroorzaakt door een reis naar Amerika en een daaropvolgende longaandoening. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden het tijdsverloop niet rechtvaardigen en verklaarde het wrakingsverzoek niet ontvankelijk.
De beschikking werd op 8 januari 2015 uitgesproken door de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant, bestaande uit voorzitter I.L.A. Boer en leden A.G.A.M. van de Ven en J.H.L.M. Snijders.