Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Procesverloop
Overwegingen
is eigenaar van de bedrijfshal
.De eenmanszaak [eenmanszaak]
is eigenaar van het onbebouwde erf achter de bedrijfshal en gebruikt dit erf voor haar bedrijfsactiviteiten.
met daarin drie hennepplanten, vermoedelijk moederplanten, en een auto op naam van
[persoon B] , met daarin zakken mapito die voor de hennepteelt worden gebruikt.
hun belangen worden getroffen en dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik te maken. Verzoekers sub 1 voeren aan dat hen geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de aangetroffen drugs. Beide verzoekers wijzen er verder op dat zij door de sluiting hun bedrijfsactiviteiten niet of nauwelijks meer kunnen uitoefenen. Door de afsluiting van het achterste gedeelte van het bedrijventerrein hebben de transportmiddelen van verzoekers sub 1 niet genoeg ruimte om te kunnen manoeuvreren. Verzoekers sub 1 hebben hun opleggers noodgedwongen ergens anders moeten stallen. De locatie waar de opleggers nu staan, is minder veilig dan de eigen locatie en het kost verzoekers sub 1 bovendien meer tijd om de opleggers op te halen om aan het werk te gaan. Verder kan het achterste gedeelte van het terrein niet meer worden gebruikt voor opslag ten behoeve van derden en kunnen derden die hun materialen daar al hadden opgeslagen, deze er niet meer van afhalen. Daarnaast kan tijdens de sluiting geen onderhoud worden gepleegd aan het achterste gedeelte van het terrein en is het niet mogelijk bedrijfsunit [nummer] te verhuren. Omdat mede gelet op het zicht op het terrein vanaf de openbare weg, niet of nauwelijks sprake kan zijn van vrees voor verstoring van de openbare orde als bedoeld in het gemeentelijk beleid, kan niet worden volgehouden dat in dit geval het belang om de openbare orde te handhaven zwaarder weegt dan de belangen waarin verzoekers worden getroffen. Verzoekers sub 2 beschikken naast bedrijfshal [nummer] niet over een andere bedrijfshal die zij kunnen gebruiken, zodat hun bedrijfsactiviteiten nagenoeg stilliggen. Verder benadrukken zij dat de in bedrijfshal [nummer] aangetroffen goederen in beslag zijn genomen en dat er thans geen spullen meer aanwezig zijn die zouden kunnen worden gebruikt voor het opzetten van een hennepkwekerij.
het daar om toepassing van bestuursdwang ten aanzien van woningen gaat. Vanwege
de zeer ingrijpende gevolgen voor de bewoners moet in geval van woningen een
waarschuwing of een soortgelijke maatregel uitgangspunt zijn (zie ook de uitspraak van
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3941). In het onderhavige geval gaat het echter om de sluiting van twee bedrijfshallen en het achterste gedeelte van een bedrijventerrein. Dit laat onverlet dat verweerder de belangen van verzoekers moet inventariseren en op een deugdelijke manier moet afwegen en moet bezien of aanleiding bestaat om met een minder vergaande maatregel te volstaan.