Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
Procesverloop en onderzoek van de zaak:
Arrest
9 december 2010 te Oss en/of Eindhoven en/of Breda en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:
en
en
en
en
te weten
- een voertuig, te weten een Porsche Cayenne, [kenteken 1]
- vijf personenauto's van het merk (en type) Ford Ka, te weten de personenauto's met de kentekens: [kenteken 2] en [kenteken 3] en [kenteken 4] en [kenteken 5] en [kenteken 6]
Wettelijk kader
Stukken strafrechtelijk financieel onderzoek
- periode 1 december 2008 tot 1 september 2009: berekening op basis van ingekochte vacuümzakken buiten de bewezen verklaarde periode om;
- periode 1 september 2009 tot 19 oktober 2010: berekening op basis van vacuümzakken binnen de bewezen verklaarde periode van het lidmaatschap van de criminele organisatie;
- periode 19 oktober 2010 tot en met 8 februari 2011: berekening op basis van het andere verpakkingsmateriaal, de gastrobakken;
- start van de handel in verdovende middelen: aanvankelijk nam de officier van justitie als startdatum 1 januari 2008 tot uitgangspunt gelet op opgenomen vertrouwelijke communicatie (hierna te noemen: OVC-gesprek) tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 22 oktober 2010, maar de officier van justitie heeft deze startdatum naar aanleiding van getuigenverklaringen en aanvullende bevindingen gewijzigd in 1 juli 2008;
- de inkoopwaarde van de omzet is € 175,- per kilo amfetaminepasta;
- de verkoopwaarde is € 850,- per kilo amfetaminepasta;
- het voordeel is onder de drie veroordeelden ( [verdachte] - [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) ponds-ponds-gewijs verdeeld;
- ook voor de tweede levering van 44 kilo (18 november 2010) is door [medeverdachte 3] betaald;
- op 29 januari 2010 in Goirle: 1 kilo
- op 18 november 2010 in o.m. Eindhoven: 44 kilo
- op 2 november 2010 in o.m. Oss: 12 kilo
- op 12 november in o.m. Oss: 34 kilo
- op 17 november 2010 in o.m. Oss: 44 kilo
- op 9 december 2010 in o.m. Oss: 12 kilo;
153 kilo.
€ 99.450,-.
- 27 september 2010 5 kilo
- 29 september 2010 7 kilo
- 3 oktober 2010 3 kilo
- 12 november 2010 8 kilo
- 19 november 2010 5 kilo
- 11 november 2009 1 kilo
- 28 november 2009 1 kilo
- 5 december 2009 2 kilo
- 10 december 2009 1 kilo
- 29 december 2009 2 kilo
- 20 januari 2010 2 kilo
- de aanschaf van dure auto’s, waarbij de rechtbank wijst op de bewezen verklaarde witwas-feiten;
- tapgesprek 9 juli 2010, p. 3632 van de ontnemingsrapportage in [verdachte] , genummerd 29-651779, gedateerd 28 augustus 2012:
99.450,-( 153 kilo)
1.358.500,-(2.090 kilo)
1.457.950,-(2.243 kilo)
[verdachte] : 83 van ons pap en 35 dadelijk dan van mij. Dus er zit gewoon 110.000 euro in, snap je? Morgen beuren we in principe de 26 terug. (…) En de 48 stuks is ongeveer 40 ruggen, of niet, 50 stuks is 40 ruggen, he? (…) Dus je beurt morgen terug 26, 66.000,- euro? Snap je?
€ 485.983,-.
De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen betalingsverplichting dient te worden gematigd in verband met de toetsing van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
Naar het oordeel van de rechtbank moet voor de bepaling van de vermindering van het bedrag van de ontnemingsmaatregel aansluiting worden gezocht bij de richtlijnen in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, LJN BD2578. Hieruit volgt het volgende.
Ook in ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. Het is aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen.
Hoewel een meer specifieke regel daaromtrent niet valt te geven, zal in het algemeen als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden:
a. het in art. 311, eerste lid, Sv bedoelde moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, of
b. het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv Pro is ingesteld, of
c. het moment waarop de in art. 511b Sv bedoelde vordering aan de betrokkene is betekend.
Onder omstandigheden zijn ook andere aanvangsmomenten aan te wijzen, bijvoorbeeld in het geval dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifiek op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van art. 94a Sv.
a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.
b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.
c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.
In ontnemingszaken komt daar als bijzonderheid bij:
d. dat de afdoening van de zaak als gevolg van het bepaalde in art. 36e, eerste lid, Sr mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid, en
e. dat de ontnemingszaak, naar volgt uit art. 511b, eerste lid, Sv, zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt.
€ 480.983,-
.
Toepasselijke wetsartikelen
De uitspraak
€ 480.983,-(voluit vierhonderdtachtigduizendnegenhonderddrieentachtig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.