ECLI:NL:RBOBR:2015:5793
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens vrijspraak verdachte
De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €312.763,78 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte, welke vordering later werd verminderd tot €165.096,24. De zaak betrof betrokkenheid bij een hennepkwekerij.
Tijdens de terechtzittingen op 17 februari en 25 september 2015 werd de vordering behandeld. Op 9 oktober 2015 sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende wettig bewijs.
Gezien deze vrijspraak kon de rechtbank niet overgaan tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e Wetboek van Strafvordering. Ook voor soortgelijke feiten buiten de tenlastegelegde periode werden onvoldoende aanwijzingen gevonden voor daderschap. Daarom werd de vordering tot ontneming afgewezen.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens vrijspraak van verdachte.