Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de voorzitter en leden van de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant die betrokken waren bij de behandeling van een eerdere wrakingsprocedure. Hij stelde dat de rechters niet onbevooroordeeld waren. De rechtbank nam kennis van het proces-verbaal, schriftelijke reacties en hield een mondelinge behandeling waarbij verzoeker en de rechters niet verschenen.
De rechtbank oordeelde dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is omdat verzoeker misbruik maakt van het wrakingsrecht door telkens dezelfde wrakingskamer te wraken zonder specifieke klachten, maar met een algemene wraking tegen alle rechters van de rechtbank. De rechtbank benadrukte dat het recht op wraking niet kan worden gebruikt voor algemene wantrouwen.
De wrakingskamer verwees naar de wettelijke criteria voor wraking, waarbij onpartijdigheid wordt vermoed tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn van vooringenomenheid. De eerder aangevoerde gronden van verzoeker voldeden hier niet aan. Daarnaast werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling wordt genomen. De beschikking werd uitgesproken door de voorzitter en leden van de wrakingskamer op 30 juni 2015.