Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 21 mei 2015 in de zaak tussen
SMT Projectontwikkeling B.V., te 's-Hertogenbosch, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
7augustus 2008 ingetrokken.
(van de Vereniging, toevoeging rechtbank)is gevolgd c.q. het primaire besluit niet is herroepen, de leer van de formele rechtskracht met zich meebrengt dat de eerste bouwvergunning in beginsel voor rechtmatig moet worden gehouden (…). De commissie overweegt in dit verband dat de bestuursrechter niet de mogelijkheid openlaat om de motivering van het besluit te verbeteren en dus op voorhand dwingt tot herroeping van het besluit zodat het besluit onrechtmatig kan worden geacht”. In het bij de rechtbank ingediende verweerschrift is deze laatste passage expliciet herhaald.
22 januari 2008 had verweerder, om medewerking te kunnen verlenen aan het oorspronkelijke bouwplan van eiseres, een rechtsgeldig besluit tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning kunnen nemen met toepassing van artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO, om de strijdigheid met artikel 3.1.2, aanhef en onder b van de voorschriften van het bestemmingsplan voor wat betreft het maximaal aantal van twee bouwlagen op te heffen. Als verweerder dat had gedaan, had het project doorgang kunnen vinden en had eiseres geen schade geleden. Daarmee is het causaal verband tussen de ontstane schade en het onrechtmatige besluit gegeven.
,van de WRO, vrijstelling te verlenen.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres géén invloed kon uitoefenen op de door verweerder te volgen procedure voor een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, of een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Al zou eiseres daarover een eigen opvatting hebben, dit ontslaat verweerder niet van de eigen verantwoordelijkheid een besluit te nemen in overeenstemming met de wet. Onder de WRO gold een rangorde inhoudende dat, indien een bouwplan onder het toepassingsbereik van artikel 19, derde lid, van de WRO viel, de toepassing van artikel 19, tweede of eerste lid, niet aan de orde kon zijn. Bovendien heeft eiseres deze gestelde instemming uitdrukkelijk betwist en blijkt hiervan niet uit de stukken.
-zoals dat gold ten tijde van belang
-kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (GS), in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. GS kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. GS hebben bij besluit van 16 mei 2006 de categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO aangewezen. Daarin is onder III ‘Categorie Stedelijk gebied’ aangegeven dat op gronden in de bebouwde kom met een bestemming gericht op intensieve bebouwing zoals onder meer woondoeleinden, in afwijking van die bestemmingen en/of bijbehorende voorschriften met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling mag worden verleend voor de onder a tot en met i genoemde projecten, mits deze naar aard en omvang passen binnen de ruimtelijke (stedenbouwkundig en functioneel) uitgangspunten van het bestemmingsplan en de aard, schaal en functie van de kern. Onder b. is vermeld: het realiseren van meerdere woningen, met inbegrip van bijgebouwen, mits passend binnen de indicatie van de toename van de woningvoorraad per gemeente, die periodiek door de provincie wordt vastgesteld op basis van een actualisering van haar bevolkings- en woningbouwbehoefteprognose, en passend binnen de afspraken die hierover zijn gemaakt in de uitwerkingsplannen voor de stedelijke en landelijke regio’s (Streekplan 2002). Van een toename van het aantal woningen was geen sprake. Niet valt in te zien waarom het project niet naar aard en omvang zou passen binnen de ruimtelijke uitgangspunten van het bestemmingsplan. De enkele omstandigheid dat ter plaatse slechts twee in plaats van de gevraagde drie bouwlagen waren toegestaan, acht de rechtbank onvoldoende doorslaggevend. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder deze afwijking van het bestemmingsplan in de eerste bouwvergunning evenmin in strijd met de ruimtelijke (stedenbouwkundig en functioneel) uitgangspunten van het bestemmingsplan en de aard, schaal en functie van de kern heeft geacht. Deze beroepsgrond slaagt.
.Aldus heeft zij rekening gehouden met de mogelijkheid dat binnen zes maanden geen onherroepelijke bouwvergunning voorhanden was.
In artikel 15 van Pro deze overeenkomsten is het volgende opgenomen: “Deze overeenkomst komt tot stand onder de navolgende opschortende voorwaarde dat de ondernemer binnen zes (6) maanden na ondertekening van deze overeenkomst door verkrijger:
a. de beschikking heeft over een onherroepelijke bouwvergunning voor dit project, waartegen geen beroep of bezwaar (meer) mogelijk is en die niet (meer) kan worden ingetrokken;
b. voor ten minste zeven (7) tot dit project behorende woningen een onvoorwaardelijke koop-/aannemingsovereenkomst heeft gesloten.
De omvang van de schade die moet worden vergoed vanwege het gebrek in de eerste bouwvergunning dient te worden vastgesteld door met elkaar in vergelijking te brengen, enerzijds, de hypothetische situatie waarin eiseres zou hebben verkeerd bij een in alle opzichten onberispelijke vergunning, anderzijds, de feitelijke situatie waarin eiseres is komen te verkeren na de uitspraak van de voorzieningenrechter op 7 augustus 2008. De rechtbank stelt vast dat de meeste overeenkomsten meer dan zes maanden voor de uitspraak van de voorzieningenrechter zijn gesloten. Slechts twee overeenkomsten zijn gesloten binnen de termijn van zes maanden, voorafgaand aan de uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat in het merendeel van de overeenkomsten de kopers ten tijde van de uitspraak van de voorzieningenrechter niet meer gebonden waren aan de overeenkomst, voor risico van eiseres dient te blijven. De desbetreffende kopers hebben geen opvolgende overeenkomsten gesloten en waren vrij om van koop af te zien, indien eiseres de woningen opnieuw zou hebben aangeboden. Deze situatie zou zich namelijk ook hebben voorgedaan bij een voor eiseres positieve uitspraak van de voorzieningenrechter.
Beslissing
mr. J.K.B. van Daalen en mr. H.M.J.G. Neelis, leden, in aanwezigheid van
mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2015.