Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte],
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Vrijspraak.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs.
De bewezenverklaring.
1. op tijdstippen gelegen in de periode van 30 juli 2014 tot en met 31 december 2014 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], met het oogmerk die [slachtoffer 1], te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte - telkens (bedreigende) mail-berichten aan die [slachtoffer 1] toegezonden en;
4. op 07 november 2014 te Helmond [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto met geopend raam met lage snelheid langs die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gereden en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, uit het geopende raam van dat voertuig gestoken en dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, in de richting van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gericht gehouden en de trekker overgehaald.
5. op 31 december 2014 te Helmond opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid MDMA, in de vorm van 26 pillen, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding ten bedrage van EUR 1250,-- en materiële schadevergoeding ten bedrage van EUR 375,-- (post eigen risico), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].Nu verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder feit 3 tenlastegelegde kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen.
Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn gepleegd en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Toepasselijke wetsartikelen.
Voorlopige hechtenis.
DE UITSPRAAK
T.a.v. feit 1, feit 4, feit 5:Gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27
5 maandenvoorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren