Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte],
De tenlastelegging.
1.
2.
De formele voorvragen.
Inleiding.
Het standpunt van de officier van justitie.
Het standpunt van de verdediging.
Het oordeel van de rechtbank.
1 januari 2007is de Wet op het financiële toezicht in werking getreden. [bedrijf 2] heeft op
26 januari 2006een vergunningaanvraag ingediend bij de AFM teneinde beleggingsproducten aan te mogen bieden. Op grond van de destijds geldende overgangsregeling was het [bedrijf 2] na deze aanvraag toegestaan beleggingsobjecten aan te bieden tot het moment dat door de AFM op de aanvraag was beslist.
28 december 2007heeft de AFM deze vergunningaanvraag afgewezen. Vanaf dat moment was het [bedrijf 2] niet meer toegestaan om nieuwe contracten af te sluiten en was [bedrijf 1] gehouden de lopende contracten af te wikkelen.
26 juni 2008werd het bezwaarschrift van [bedrijf 2] tegen dit besluit afgewezen en wijst de AFM [bedrijf 2] erop dat de vergunningafwijzing met zich meebrengt dat [bedrijf 2] de door haar beheerde beleggingsobjectcontracten niet langer kan blijven beheren. De AFM verzoekt [bedrijf 2] een stappenplan voor de afwikkeling van de lopende overeenkomsten met participanten te overleggen.
15 januari 2009verklaart de rechtbank in Rotterdam het beroepschrift van [bedrijf 2] tegen de beslissing op bezwaar van de AFM ongegrond.
11 maart 2009laat de AFM per brief aan [bedrijf 2] weten dat zij voornemens is om een stille curator aan te stellen omdat [bedrijf 2] de bestaande beleggingsobjecten niet heeft afgewikkeld of daartoe een deugdelijk plan heeft opgesteld. Volgens de AFM is [bedrijf 2] daarmee in overtreding van art 2:55 lid 1 Wft Pro.
23 maart 2009stelt de AFM een curator aan bij [bedrijf 2].
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Feit 2”is overwogen. Hieruit volgt dat [bedrijf 2] in de tenlastegelegde periode van nog geen twee maanden redelijkerwijze geen aanvaardbare mogelijkheid had om anders te handelen dan ten laste is gelegd. In alle redelijkheid kon niet van [bedrijf 2] (en van verdachte als feitelijk leidinggevende) worden verwacht dat in deze korte periode alle lopende beleggingsobjectcontracten zouden worden afgewikkeld. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook met betrekking tot de periode voorafgaand aan de tenlastegelegde periode geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij zich de inspanningen heeft getroost die onder de gegeven omstandigheden van hem konden worden gevergd.
De rechtbank
feit 1is ten laste gelegd en
spreekthem hiervan
vrij.
ontslaatverdachte voor feit 2
van alle rechtsvervolging.