Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.[verweerder sub 1],
1.De procedure
- de tussenbeschikking van 11 april 2014;
- de brief van [verzoeker] en JBZ van 12 mei 2014;
- het faxbericht van [verweersters] van 16 mei 2014;
- het faxbericht van [verweerder sub 1] van 27 mei 2014;
- het faxbericht van [verweersters] van 28 mei 2014;
- het faxbericht van [verzoeker] en JBZ van 12 juni 2014.
2.De verdere beoordeling
De vragen aan de deskundige
Bestaan er over het onderwerp van de expertise medisch-wetenschappelijk uiteenlopende opvattingen?
- vanaf welk moment werd een dergelijke controle gebruikelijk?
- vanaf welk moment na het plaatsen van de prothese worden genoemde gehaltes gemeten, met welke frequentie en op welke manier?
Handelde [verzoeker] als redelijk bekwaam en redelijk handelend orthopedisch chirurg toen hij in oktober 2003 besloot een heupprothese van dit merk, model en type bij de heer [verweerder sub 1] te plaatsen? Zo ja, waarom, zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij specifiek ingaan op:
- de persoonlijke situatie van de heer [verweerder sub 1];
- de informatie die destijds binnen de beroepsgroep van orthopedisch chirurgen bekend was over het risico van ALTR;
- de mogelijke alternatieven voor de toegepaste BHR-heupprothese;
- het feit dat de BHR-prothese in het buitenland nog steeds wordt toegepast.
- op welke gronden in oktober 2003 is gekozen voor dit merk, model en type heupprothese?
- welke alternatieve behandelmethoden (zoals de traditionele heupprothese) voorafgaand aan de operatie met de heer [verweerder sub 1] zijn besproken?
- in hoeverre de heer [verweerder sub 1] voorafgaand aan de operatie is voorgelicht omtrent de mogelijk aan een BHR-prothese verbonden risico’s?
- het dagelijkse leven (ADL);
- hobby en recreatie;
- beroepsmatige werkzaamheden.
- indien - aangenomen dat u in het geval van de heer [verweerder sub 1] de diagnose ALTR onderschrijft - er geen ALTR zou zijn opgetreden?
- indien geen revisie-ingreep zou hebben plaatsgevonden?