ECLI:NL:RBOBR:2014:6094

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 oktober 2014
Publicatiedatum
17 oktober 2014
Zaaknummer
SHE 14/966 en 14/1003
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.M. Tadic
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening beroepsgronden in belastingzaak

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant. De rechtbank beoordeelt het beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Volgens artikel 6:5 Awb Pro moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten, waarin specifiek wordt aangegeven waarom men het niet eens is met het bestreden besluit. Eiser voldeed hier niet aan en werd verzocht dit binnen vier weken te herstellen. Eiser heeft hieraan niet voldaan.

De gemachtigde van eiser voerde aan dat een acuut hulpverzoek van een noodlijdend familielid de reden was voor het niet tijdig indienen en het niet kunnen vragen van uitstel. De rechtbank oordeelt echter dat van een beroepsmatig rechtsbijstandverlener verwacht mag worden dat hij tijdig gronden indient, eventueel een collega inschakelt of tijdig om uitstel vraagt. Het handelen van de gemachtigde komt voor rekening van eiser.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter F.M. Tadic op 13 oktober 2014.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 14/966 en 14/1003

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: M.F. Rupert),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 1 februari 2014 (de bestreden uitspraak op bezwaar) beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
3. Eiser heeft in zijn beroepschrift vermeld dat hij het niet eens is met de uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank is deze mededeling onvoldoende om als beroepsgrond aan te merken. De rechtbank heeft eiser bij brief van 17 maart 2014 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen.
4. Eiser heeft binnen die termijn geen gronden ingediend. Als reden hiervoor voert eisers gemachtigde aan dat sprake is geweest van een acuut en veelomvattend hulpverzoek van een noodlijdend familielid van gemachtigde, in verband met een ziekenhuisopname, waardoor gemachtigde niet heeft kunnen voldoen aan het verzoek en de rechtbank hierover ook niet tijdig heeft kunnen informeren.
5. In hetgeen eisers gemachtigde heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voor hem onmogelijk is geweest om binnen de gestelde termijn van vier weken aan het verzoek te voldoen dan wel tijdig om uitstel te vragen. Van eisers gemachtigde mag worden verwacht dat hij - als beroepsmatig rechtsbijstandverlener - ervoor zorg draagt dat de beroepsgronden tijdig worden ingediend, dat hij daartoe zo nodig een kantoorgenoot inschakelt en dat hij, als dat niet mogelijk is, tijdig om uitstel vraagt. Het handelen van de gemachtigde van eiser komt voor rekening en risico van eiser. De door eiser op 27 april 2014 ingediende beroepsgronden zijn te laat ingediend.
6. Het beroep is daarom in beide zaken kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep in de zaken 14/966 en 14/1003 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Tadic, rechter, in aanwezigheid van mr. P.D.H. Selhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2014.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.