Eisers ontvingen een bijstandsuitkering die door verweerder werd ingetrokken per 11 mei 2013 vanwege vermoedens dat eiser op geld waardeerbare arbeid verrichtte in de kringloopwinkel van zijn dochter, zonder dit te melden. Dit volgde op anonieme tips en een observatieonderzoek van 11 juni tot 22 augustus 2013.
De rechtbank oordeelt dat de observaties een gerechtvaardigde inbreuk op het privéleven vormen en dat de bewijslast deels bij eiser ligt om het tegendeel van de waarnemingen te bewijzen. De verklaringen van eiser en zijn dochter over de aard van de werkzaamheden en aanwezigheid in de winkel zijn inconsistent en worden door de observaties weerlegd.
Echter, de rechtbank stelt vast dat verweerder pas vanaf 12 juli 2013 voldoende aanwijzingen had voor intrekking van de uitkering en dat niet is vastgesteld dat eiser gedurende de gehele periode zes dagen per week werkte. Daarom kan het bestreden besluit niet in stand blijven en dient verweerder een nieuw besluit te nemen en de terugvordering opnieuw vast te stellen.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eisers. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.