ECLI:NL:RBOBR:2014:5537

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 september 2014
Publicatiedatum
29 september 2014
Zaaknummer
01/865069-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a Opiumwet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs voor hennepfeiten

Op 30 september 2014 heeft de rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van het aanwezig hebben en handelen in hennep in Helmond.

De officier van justitie had verdachte ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 2 juni 2014 ongeveer 200 kilogram hennep aanwezig had gehad en dat zij in de periode van januari tot juni 2014 hennep had gebracht, geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt of vervoerd. De dagvaarding was geldig en de rechtbank was bevoegd de zaak te behandelen.

Tijdens de terechtzitting van 16 september 2014 heeft de officier van justitie geconcludeerd tot vrijspraak wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging voerde aan dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte wetenschap had van de hennep in de berging.

De rechtbank heeft geoordeeld dat noch uit het dossier noch uit de behandeling ter zitting kan worden bewezen dat verdachte enige wetenschap had van de hennep. Daarom verklaarde de rechtbank de tenlasteleggingen niet bewezen en sprak verdachte vrij.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat zij wetenschap had van de hennep.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht
Parketnummer: 01/865069-14
Datum uitspraak: 30 september 2014
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op[1991],
wonende te [woonplaats], [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 september 2014.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 augustus 2014.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 2 juni 2014 te Helmond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 200 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 2 juni 2014 te Helmond en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk
aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid / hoeveelheden hennep van (telkens)meer dan 30 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het aan verdachte ten laste gelegde vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte enige wetenschap had van de aanwezigheid van hennep in de berging.

Vrijspraak.

De rechtbank is van oordeel dat noch op grond van het procesdossier noch op grond van het verhandelde ter terechtzitting kan worden bewezen dat verdachte enige wetenschap had van de aanwezigheid van de hennep in de berging.
De rechtbank acht daarom met de officier van justitie en de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 en onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,
mr. M. Lammers en mr. W.J.M. Fleskens, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 30 september 2014.