ECLI:NL:RBOBR:2014:5055
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak therapeut wegens ontbreken ontucht binnen behandelrelatie
De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen een therapeut die werd beschuldigd van ontucht met een patiënte gedurende de periode van september 2011 tot juli 2012. De tenlastelegging betrof het plegen van ontucht binnen een behandelrelatie, waarbij verdachte als paranormaal therapeut werkzaam was.
Tijdens de zittingen op 4 februari en 7 augustus 2014 werd vastgesteld dat tussen verdachte en de patiënte een langdurige vriendschappelijke relatie bestond, waaruit later een behandelrelatie ontstond. De officier van justitie en de verdediging stelden beiden dat er sprake was van een wederzijdse verliefdheid die los stond van de behandeling. Getuigenverklaringen ondersteunden dit beeld.
De rechtbank oordeelde dat de seksuele handelingen niet binnen de context van een afhankelijke behandelrelatie plaatsvonden, maar voortkwamen uit een affectieve relatie met wederzijds goedvinden. Hierdoor ontbrak het ontuchtig karakter zoals bedoeld in artikel 249, tweede lid, onder 3, Wetboek van Strafrecht. De verdachte werd vrijgesproken en de vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Verdachte werd vrijgesproken omdat seksuele handelingen niet binnen de behandelrelatie plaatsvonden maar uit een wederzijdse affectieve relatie voortkwamen.