ECLI:NL:RBOBR:2014:2272
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.A. Mandemakers
- E.C.P.M. Valckx
- J. Leyenaar-Holleman
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs in zedendelict
De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van meerdere zedendelicten gepleegd op 25 maart 2011 te Uden. De tenlastelegging betrof onder meer het dwingen van het slachtoffer tot seksuele handelingen en het verrichten van ontuchtige handelingen. De zaak werd aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 september 2013 en onderzocht tijdens zittingen op 16 oktober 2013 en 16 april 2014.
Tijdens het proces verklaarde verdachte dat hij geen seksuele handelingen had verricht of geprobeerd het slachtoffer daartoe te dwingen. Aangeefster deed aanvankelijk op 12 april 2011 aangifte en beschreef het incident, maar haar verklaringen waren op essentiële punten tegenstrijdig. Zij verklaarde onder meer dat zij wel seks had gehad met verdachte op schooltoiletten, maar ook dat dit niet het geval was. Diverse getuigen verklaarden geen kennis te hebben van het vermeende incident en betwijfelden de betrouwbaarheid van aangeefsters verklaringen.
Gezien de tegenstrijdigheden en het ontbreken van steun in de getuigenverklaringen, sloot de rechtbank de verklaringen van aangeefster uit als bewijs. Omdat alleen zij de beschuldigingen had geuit en er geen aanvullend overtuigend bewijs was, sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlasteleggingen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.