Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 maart 2014 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Het projectgebied heeft overwegend een agrarische functie. Door het projectgebied loopt de Peelrandbreuk. Karakteristiek voor de Peelrandbreuk is dat in de nabijheid daarvan ijzerhoudend kwelwater aan de oppervlakte treedt. Door diverse inrichtingsmaatregelen in het verleden zijn deze zogenoemde wijstverschijnselen grotendeels verloren gegaan.
Het voorgestelde pakket van inrichtingsmaatregelen beoogt een drietal hydrologische veranderingen te bewerkstelligen. Water uit de Maas zal voortaan via de Snelle Loop langs het projectgebied worden geleid, zodat de Esperloop weer volledig gevoed wordt door lokaal opwellend wijstwater en door regenwater. Verder zullen in het gebied Geneneind in beperkte mate de grondwaterpeilen worden verhoogd ten behoeve van wijstherstel. Op de landbouwpercelen zal, door peilverhoging, grondwater worden geconserveerd, waardoor op onttrekking voor beregening kan worden bespaard. Verder zal het brongebied Geneneind, door onder meer aantakking van het wijstgebied Geneneindse Velden, worden vergroot.
Op grond van modelresultaten is primair gezocht naar maatregelen die binnen enkele jaren tot een verbetering van de wijstverschijnselen leiden. Praktisch gezien worden vooral maatregelen voorgesteld die, dat deel van het ondiepe grondwater en oppervlaktewater zodanig beïnvloeden dat binnen enkele jaren het wijstgebied Geneneind wordt hersteld. Met wijstherstel wordt tevens het brongebied van de Esperloop versterkt.
Verder dient voorop te worden gesteld dat het waterschap deskundig is bij het uitoefenen van zijn publiekrechtelijke taak op waterstaatkundig gebied (zie rechtsoverweging 2.3.2 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4602).
Verweerder heeft onderbouwd op basis van welke gegevens hij tot de overtuiging is gekomen dat in het brongebied Geneneind herstel van de wijstverschijnselen mogelijk is. Eiser heeft zijn opvatting dat herstel van deze verschijnselen niet meer mogelijk is weliswaar onderbouwd met de stelling dat er, in het kader van vroegere ruilverkavelingen, in het verleden kavelwijziging, egalisering en drainageactiviteiten hebben plaatsgevonden, maar niet onderbouwd hoe deze ingrepen ertoe hebben geleid dat herstel niet meer mogelijk is. Op basis van wat eiser heeft aangevoerd, kan niet de conclusie worden getrokken dat verweerder niet in redelijkheid tot vaststelling van het projectplan heeft kunnen komen.