2.1.1. De curator heeft herhaaldelijk en met betrekking tot verschillende kwesties gehandeld op een wijze waarmee hij de voor zijn handelen als curator geldende normen verregaand heeft overschreden. Het betreft de volgende kwesties:
1. [A] (verder: [A]), bestuurder van gefailleerde, heeft in de periode september-december 2012 herhaaldelijk tegenover mr. L.P. Schuttelaar (verder: Schuttelaar), [B], vader van verzoekers, en [C] verklaard dat de curator tegen hem heeft gezegd:
“dat de familie [D] zich denkt alles te kunnen veroorloven en dat het hier maar eens mee afgelopen moest zijn[E], waarop verzoekers uit hoofde van een garantstelling vorderingen hebben die samenhangen met de vorderingen van verzoekers op gefailleerde, heeft op 20 december 2012 schriftelijk verklaard dat de curator haar in het bijzijn van haar advocaat mr. A.J. van Soelen heeft verteld dat [F] en [B] “haar vakkundig hadden bedrogen”;
3. Ter gedeeltelijke voldoening van de vorderingen heeft [E] haar aandelen in Tomipaal S.L. door Tomipaal S.A. doen overdragen aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bigro Beheer B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [G] In een brief van 14 januari 2013[H] (verder: [H]) probeert de curator een en ander in een kwaad daglicht te stellen door te spreken van “een niet bestaande vordering”, “extreem zware druk” en “onrechtmatige executie”.
Voormelde uitlatingen en handelwijze van de curator zijn onnodig grievend en schaden onnodig de goede naam van de familie [D]. Van uitlatingen en een handelwijze als deze dient een curator zicht te onthouden;
4. Een deel van de vorderingen van verzoekers op gefailleerde is door [A] of de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J] betaald. De curatoren stellen zich daarentegen op het standpunt dat voormelde betalingen namens gefailleerde zijn verricht. [A] heeft tegenover de curator verklaard dat hij de betalingen niet namens gefailleerde heeft verricht. De curator heeft desondanks getracht om aan [A] daaromtrent een valse verklaring te ontlokken. [A] heeft daarover op
13 november 2012 tegenover [B], [C] en Schuttelaar verklaard dat twee weken daarvoor de curator aan hem heeft voorgesteld dat [A] 50% zou ontvangen van de door de curatoren geïncasseerde gelden van de vorderingen van gefailleerde op verzoekers, indien [A] een verklaring zou ondertekenen inhoudende dat [A] de betalingen namens gefailleerde heeft verricht;
5. Verzoekers hebben een pandrecht op een vordering van € 2.500.000,00 van gefailleerde op Cyclomedia. Daarvan hebben zij op 15 februari 2012 aan Cyclomedia en op 13 en 17 februari 2012 aan twee curatoren in onderhavig faillissement, waaronder de curator, mededeling gedaan. De curatoren, die de geldigheid van dit pandrecht betwisten, hebben zich daarna evenwel zonder voorafgaand overleg met verzoekers tot Cyclomedia gericht en aan Cyclomedia voor een deel van voormelde vordering, groot € 200.000,00, kwijting verleend. Daarmee hebben de curatoren op onrechtmatige wijze de uitoefening van het pandrecht van verzoekers gefrustreerd.