ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ2909
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en schuldenoverdracht aan katvanger
De curator van de failliete vennootschap [A] vorderde op grond van art. 2:248 BW Pro aansprakelijkheid van de bestuurder en enig aandeelhouder, hierna [gedaagde], voor de schulden van de vennootschap. [gedaagde] had zijn aandelen en bestuur overgedragen aan een katvanger, [C], die door [B] werd bestuurd, terwijl hij wist of behoorde te beseffen dat deze malafide plannen hadden.
De rechtbank stelde vast dat [gedaagde] zijn publicatieplicht had geschonden door jaarrekeningen niet tijdig te deponeren en dat hij kennelijk onbehoorlijk had bestuurd. Hij kon het wettelijke vermoeden dat zijn bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement was niet weerleggen, omdat zijn aangevoerde oorzaken onvoldoende waren onderbouwd.
Ook de overdracht aan [C]/[B] werd als onbehoorlijk bestuur aangemerkt, mede omdat [gedaagde] geen onderzoek had gedaan naar de betrouwbaarheid van de katvanger en de vennootschap op papier een positief eigen vermogen had. Daarnaast waren eerdere privé-onttrekkingen door [gedaagde] aan de vennootschap een belangrijke oorzaak van het faillissement.
Het beroep op matiging van aansprakelijkheid werd verworpen. De rechtbank bekrachtigde het verstekvonnis waarin [gedaagde] aansprakelijk werd gesteld en veroordeelde hem in de proceskosten van de verzetprocedure.
Uitkomst: De bestuurder wordt aansprakelijk gehouden voor het faillissement en veroordeeld tot betaling van de schulden van de vennootschap.