ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ1387
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Compensatievergoeding voor langdurige vluchtvertraging niet uitgesloten door botsing met bagageloader
Verzoeksters vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 wegens een vluchtvertraging van bijna vijf uur op een vlucht van Marseille naar Eindhoven. De vervoerder betwistte het recht op compensatie en voerde aan dat het HvJ EU in het Sturgeon-arrest een onjuiste en te ruime uitleg had gegeven van de Verordening. Daarnaast stelde de vervoerder dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, namelijk een gebroken VHF-antenne veroorzaakt door een botsing met een bagageloader.
De kantonrechter oordeelde dat het HvJ EU gebonden is en dat de passagiers recht hebben op compensatie bij langdurige vertraging volgens de uitleg in Sturgeon. De kantonrechter verwierp het verweer dat de forfaitaire vergoeding in strijd zou zijn met het Verdrag van Montreal, omdat de vergoeding ziet op geleden tijdverlies. De technische rapporten van de vervoerder maakten aannemelijk dat de antenne was afgebroken door de botsing, maar de kantonrechter stelde vast dat dit incident inherent is aan de normale bedrijfsuitoefening en daarom geen buitengewone omstandigheid vormt.
De vervoerder werd veroordeeld tot betaling van € 500 aan verzoeksters, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 januari 2011, en tot vergoeding van de proceskosten. Het verzoek tot verklaring van de beschikking als Europese executoriale titel werd afgewezen omdat geen niet betwiste schuldvordering bestond.
Uitkomst: De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van € 500 compensatie en wettelijke rente wegens langdurige vluchtvertraging zonder dat sprake is van buitengewone omstandigheid.