Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure in conventie en in het incident
- het tussenvonnis van 7 december 2011;
- het deskundigenbericht van 10 december 2012 van E.H. Horlings RA, gedeponeerd ter griffie van deze rechtbank op 18 december 2012 (depotnummer 94/2012);
- de conclusie na deskundigenbericht van SEFIL van 23 januari 2013;
- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van SCDE van 20 februari 2013, tevens incidentele vordering tot overlegging van grootboekkaarten en onderliggende facturen als bedoeld in artikel 22 en Pro 843a Rv;
- de conclusie van antwoord van SEFIL in het door SCDE opgeworpen incident van 6 maart 2013.
2.De verdere beoordeling in conventie in de hoofdzaak en in het incident
begrotingvan de exploitatie van het ijssculpturenfestival in Eindhoven in 2008, uitgaande van een exploitatieduur van 8 weken en 2 dagen en gebruik van een vergelijkbare tentoonstellingshal welke in 2006 is gebruikt (“Evolution”):
begrotingvan de exploitatie, uitgaande van een exploitatieduur van 4 weken en gebruik van een vergelijkbare tentoonstellingshal welke in 2007 is gebruikt (“Fensterrein”):
bepaalde bescheiden” en SCDE wenst te kunnen beschikken over de gehele administratie van SEFIL.
3.De beslissing
24 juli 2013voor het nemen van een daartoe strekkende akte door SEFIL, waarbij SEFIL tevens dient in te gaan op hetgeen is vermeld onder 2.8, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen;