ECLI:NL:RBNNE:2026:997

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
18-341243-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 310 SrArt. 312 SrArt. 317 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs medeplegen ontploffing zwaar vuurwerk

Op 31 oktober 2025 vond bij de woning van het slachtoffer in Drachten een ontploffing plaats door zwaar knalvuurwerk (Cobra). Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van deze ontploffing samen met een medeverdachte. De officier van justitie stelde dat verdachte en medeverdachte samen naar de woning gingen om geld af te dwingen en dat verdachte op de hoogte was van het plan om de Cobra tot ontploffing te brengen.

De rechtbank oordeelde echter dat er geen bewijs is dat verdachte zelf de Cobra heeft aangestoken of dat hij voorafgaand aan de ontploffing met medeverdachte had afgestemd over het gebruik van het vuurwerk. Hoewel verdachte bedreigende berichten had gestuurd en intimiderend gedrag vertoonde, was het opzet op het veroorzaken van de ontploffing niet bewezen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde.

Daarnaast werden de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van bewezen feiten die de schade veroorzaakten. Ook werd een eerdere vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf afgewezen vanwege de vrijspraak.

De rechtbank bepaalde dat verdachte en de benadeelde partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 30 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken bewijs medeplegen ontploffing zwaar vuurwerk.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer: 18-341243-25
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer: 96-257605-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 maart 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R. Rauwerda, advocaat te Leeuwarden. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te omstreeks 23.00 uur, althans gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Drachten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht door nabij en/of voor de voordeur van een woning, gelegen aan de [adres] nummer [nummer] , aldaar, in gebruik bij en/of eigendom van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , een stuk (zwaar) (knal)vuurwerk, met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding te brengen, waardoor deze (aldaar) tot ontploffing kwam, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de voordeur en/of ruit van voornoemde voordeur en/of voor meer ander(e) onderde(e)l(en) van die woning en/of voor de inventaris van/in die woning, gelegen aan of bij de [adres] (nummer [nummer] ) en/of voor naastgelegen panden en/of woningen en/of voor de in die panden en/of woning(en) aanwezige goederen/inventaris en/of
-levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten voor één of meer bewoner(s) van die woning, gelegen aan of bij de [adres] (nummer [nummer] ) en/of voor (de) in de belendende woning(en) aanwezige bewoner(s)/perso(o)n(en), te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het tenlastegelegde. Hij heeft het standpunt ingenomen dat sprake is van medeplegen en dit standpunt als volgt onderbouwd. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn samen naar de woning van aangever [slachtoffer 1] gegaan om daar geld te halen dat aangever hen beiden naar verluidt nog verschuldigd was. Uit de verklaring van [medeverdachte] volgt dat er een taakverdeling bestond tussen [medeverdachte] en verdachte. Verdachte stond bij de voordeur en [medeverdachte] heeft via de achterdeur de woning van aangever betreden waar hij de voordeur voor verdachte zou opendoen. Aangever heeft [medeverdachte] echter in zijn hand gestoken en de woning uitgejaagd. [medeverdachte] en verdachte hebben zich vervolgens met zijn tweeën aan de voorkant van de woning van aangever begeven. [medeverdachte] heeft daar een Cobra tot ontploffing gebracht. Het is onmogelijk dat verdachte daar niets van heeft geweten. Op de telefoon van verdachte zijn WhatsApp-berichten aangetroffen waarin hij aangever heeft bedreigd met het tot ontploffing brengen van een Cobra bij diens woning. Er is sprake geweest van een vooropgezet plan waar beide
verdachten van op de hoogte waren hetgeen blijkt uit het geregelde vervoer daarnaartoe en het meenemen van een Cobra. Daarnaast heeft de officier van justitie betoogd dat bij deze ontploffing gevaar voor personen te duchten was.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte wordt verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, op 31 oktober 2025 een ontploffing teweeg heeft gebracht door een afgestoken Cobra door de voordeur van het slachtoffer te gooien.
De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of er bewijs is dat verdachte zélf die Cobra heeft aangestoken en door de brievenbus heeft gegooid. Dat bewijs is er niet. Uit niets in het dossier blijkt dat hij de Cobra zelf in handen heeft gehad, laat staan afgestoken. Niet uit verklaringen, forensisch bewijs, camerabeelden, gegevens uit de inbeslaggenomen telefoons of welk bewijsmiddel dan ook. Verdachte heeft dit ook steeds met klem ontkend.
De rechtbank kan aan de hand van het dossier wel vaststellen dat medeverdachte [medeverdachte] de Cobra tot ontploffing heeft gebracht. Dit blijkt onder meer uit de mededelingen die [medeverdachte] in chatberichten heeft gedaan en uit de verklaring van getuige [getuige] .
De volgende vraag is of er dan sprake is van het medeplegen, zoals de officier van justitie heeft betoogd.
Uit het dossier blijkt dat verdachte die avond van plan was om geld op te halen bij het slachtoffer in Drachten. Verdachte heeft dit vooraf met anderen besproken in zijn woning in [plaats] en uiteindelijk zijn ze met zn drieën naar Drachten gereden. In de auto is nog met bedreigende taal naar het slachtoffer geappt om naar de [winkel] in Drachten te komen en toen hij dat niet deed, zijn ze doorgereden naar de woning van het slachtoffer. Daar heeft verdachte bij de woning staan bonken op de voorruit.
Voor medeplegen is vereist dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking waarbij het opzet zich ook heeft uitgestrekt op de verweten gedraging. Die samenwerking was er wel om het slachtoffer te bewegen geld af te geven, maar uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat die er ook was om de Cobra af te steken. Er is geen bewijs dat verdachte opzet had op het veroorzaken van een ontploffing die bewuste avond. Niet is vast komen te staan dat er enige voorafgaande afstemming tussen [medeverdachte] en verdachte heeft plaatsgevonden over het gebruik van een Cobra (niet in de auto of eerder in de woning van verdachte) of dat verdachte die avond een Cobra heeft gezien. Evenmin zijn er aanwijzingen dat verdachte kennis had van het voornemen van [medeverdachte] . Er is dan ook geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. De bedreiging die verdachte twee weken eerder aan aangever heeft verstuurd staat in tijd te ver verwijderd van het pleegmoment om daaraan enige conclusie te kunnen verbinden. Het is de medeverdachte die de Cobra heeft aangestoken, zonder dat is gebleken dat verdachte daar een rol bij heeft gespeeld.
Dat betekent niet dat verdachte niets zou kunnen worden verweten. Hij heeft immers een aantal weken daarvoor het slachtoffer een app met foto gestuurd die zeker als bedreigend kan worden opgevat. In de auto op weg naar het slachtoffer heeft hij wederom een bedreigende boodschap aan het slachtoffer verstuurd. Bij de woning heeft hij intimiderend op de ramen staan bonken en roepen, terwijl de medeverdachte de woning binnendrong. Hij heeft dat ook allemaal toegegeven. Zijn gedragingen zouden met goede argumenten gezien kunnen worden als bedreiging (artikel 285 sr Pro) of poging tot diefstal/afpersing al dan niet met geweld (artikel 310, 312/317 Sr). Maar dit is niet ten laste gelegd.
Anders dan bij de medeverdachte heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om geen tweede of een subsidiair feit in de tenlastelegging op te nemen.
De rechtbank moet kijken naar de tekst van de tenlastelegging. Die is beperkt tot (medeplegen van) het teweegbrengen van een ontploffing met een Cobra en daarvoor is geen wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank komt daarom tot een vrijspraak.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] tot een bedrag van 1592,- ter vergoeding van materiële schade;
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 6660,46 ter vergoeding van materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dienen te worden afgewezen. Zij heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het tenlastegelegde niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 8 april 2025 van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant te s-Hertogenbosch onder parketnummer 96-257605-24 is verdachte veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 23 april 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 24 februari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
De rechtbank wijst af de vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van vorenbedoelde eerder opgelegde voorwaardelijke straf, nu verdachte van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van feit 1
Verklaart de benadeelde partij
[slachtoffer 1]niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.
Verklaart de benadeelde partij
[slachtoffer 2]niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

96.257605-24:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf van 24 februari 2026.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.F. Brouwer, voorzitter, mr. M.M. Spooren en
mr. A. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2026.