Op 31 oktober 2025 vond bij de woning van het slachtoffer in Drachten een ontploffing plaats door zwaar knalvuurwerk (Cobra). Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van deze ontploffing samen met een medeverdachte. De officier van justitie stelde dat verdachte en medeverdachte samen naar de woning gingen om geld af te dwingen en dat verdachte op de hoogte was van het plan om de Cobra tot ontploffing te brengen.
De rechtbank oordeelde echter dat er geen bewijs is dat verdachte zelf de Cobra heeft aangestoken of dat hij voorafgaand aan de ontploffing met medeverdachte had afgestemd over het gebruik van het vuurwerk. Hoewel verdachte bedreigende berichten had gestuurd en intimiderend gedrag vertoonde, was het opzet op het veroorzaken van de ontploffing niet bewezen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde.
Daarnaast werden de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van bewezen feiten die de schade veroorzaakten. Ook werd een eerdere vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf afgewezen vanwege de vrijspraak.
De rechtbank bepaalde dat verdachte en de benadeelde partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 30 maart 2026.