ECLI:NL:RBNNE:2026:996

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
18.258631.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wegenverkeerswet 1994Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 7 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling, vernieling en verkeersovertredingen met bijzondere voorwaarden

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van zijn vader, mishandeling van zijn moeder, vernieling van een ruit, joyriding, rijden onder invloed en het verlaten van de plaats van een ongeval. Verdachte stak zijn vader tweemaal met een scherp voorwerp, wat leidde tot ernstig letsel, en mishandelde zijn moeder door haar keel vast te pakken en te wurgen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag omdat niet kon worden vastgesteld dat hij voorwaardelijk opzet had op de dood van zijn vader. Wel werd de poging tot zware mishandeling bewezen verklaard. Verdachte had geen geldig rijbewijs en reed onder invloed van alcohol en drugs, veroorzaakte schade en verliet de plaats van het ongeval zonder gegevens achter te laten.

De rechtbank verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces omdat geen ogenblikkelijke aanval aannemelijk was. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met bijzondere voorwaarden waaronder klinische opname en verslavingsbehandeling. De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in een vervolging wegens vernieling van de voordeur vanwege het ontbreken van een klacht.

De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot materiële schadevergoeding wegens gebrek aan onderbouwing en de immateriële schadevergoeding werd afgewezen. De rechtbank gelastte de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke werkstraf wegens nieuwe strafbare feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden gericht op verslavingsbehandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.258631.25
ter terechtzitting gevoegd parketnummers 18.225222.25, 18.164656.25 en 18.012628.25 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.143053.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H. Koning, advocaat te Meppel. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Onder parketnummer 18.258631.25
1.
hij op of omstreeks 30 september 2025 te Emmen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met een mes en/of stok en/of tak, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik, althans in het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 september 2025 te Emmen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes en/of stok en/of tak, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik, althans in het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 september 2025 te Emmen, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft
mishandeld, door met een mes en/of stok en/of tak, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik, althans in het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] te steken en/of te snijden, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn vader;
2.
hij op of omstreeks 30 september 2025 te Emmen, althans in Nederland, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] bij de hals en/of keel vast te pakken en/of vastgepakt te houden en/of te wurgen en/of in de hals en/of keel te knijpen, en/of waardoor de zuurstoftoevoer werd belemmerd en/of
onmogelijk werd gemaakt, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn moeder;
Onder parketnummer 18.225222.25
hij op of omstreeks 18 augustus 2025 te Emmen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Onder parketnummer 18.164656.25
1.
hij te Emmen op of omstreeks 31 januari 2025, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto), toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, [adres] en/of de [adres] en/of [adres] , in elk geval op een weg;
2.
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te Emmen, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [adres] en/of de [adres] en/of [adres] ,
  • zonder dat hij een geldig rijbewijs had en/of
  • terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol en/of drugs en/of
  • niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
  • zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehad en/of niet op tijd heeft geremd waardoor hij, verdachte, is aangereden en/of gebotst tegen een of meerdere tuinhekken, muren, borders, een boom en/of geparkeerde auto, waarbij schade aan die goederen is toegebracht, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
3.
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te Emmen, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
4.
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij
een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Emmen op/aan [adres] en/of de [adres] en/of [adres] , op of omstreeks 31 januari 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij
dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] ) letsel en/of schade was toegebracht;
Onder parketnummer 18.012628.25
hij op of omstreeks 26 december 2024 te Emmen opzettelijk en wederrechtelijk de voordeurruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Ontvankelijkheid officier van justitie inzake parketnummer 18.012628.25

De vader van verdachte heeft aangifte gedaan van vernieling van de ruit van de voordeur van de woning waar ook verdachte als bewoner stond ingeschreven. Nu dit een vernieling betreft door een direct familielid, is op grond van artikel 350 in Pro verbinding met de artikelen 353 en 316 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een klacht van aangever vereist. De rechtbank stelt vast dat zich in het procesdossier niet een door aangever ondertekende klacht bevindt. Ter terechtzitting heeft aangever desgevraagd verklaard dat zijn doel met het doen van aangifte was dat zijn zoon hulp zou krijgen, niet dat zijn zoon strafrechtelijk zou worden vervolgd.
Vanwege het ontbreken van de klacht zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van dit feit.

Beoordeling van het bewijs

Ter bevordering van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank de aan verdachte tenlastegelegde feiten per dagvaarding (parketnummer) behandelen.
Parketnummer 18.258631.25
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft de officier van justitie betoogd dat op basis van de letselinterpretatie vaststaat dat verdachte zijn vader heeft gestoken met een mes. De officier van justitie acht daarbij voorwaardelijk opzet op de dood bewezen, nu verdachte zijn vader tweemaal op korte afstand met kracht met een mes heeft gestoken. Verdachte heeft zijn vader door diens kleding en buikwand heen met een mes gestoken in de buikstreek, waar zich vitale organen en slagaders bevinden. Met zijn handelen heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van zijn vader aanvaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 18.258631.25 onder 1 primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen vol opzet heeft gehad op de dood van zijn vader. Ook voorwaardelijk opzet op de dood ontbreekt, aldus de raadsman. Nu het wapen waarmee verdachte heeft gestoken niet is gevonden en de kenmerken ervan onbekend zijn, is niet vast te stellen
hoe groot de kans was dat dodelijk letsel zou kunnen worden toegebracht. Verdachte heeft enige kans ook niet bewust aanvaard.
Ten aanzien van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar
lichamelijk letsel aan verdachtes vader en de onder 2 ten laste gelegde mishandeling van verdachtes moeder heeft de raadsman zich niet uitgelaten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Vaststaande feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Op 30 september 2025 heeft verdachte de schuttingdeur naar de tuin van zijn ouderlijk huis aan het [adres] opengetrapt. De ouders van verdachte, [slachtoffer 1] (vader) en [slachtoffer 2] (moeder) bevonden zich op dat moment in de tuin. Op het moment dat verdachte door de opengetrapte schuttingdeur de tuin binnenkomt, ontstaat er eerst een worsteling tussen verdachte en zijn moeder en daarna tussen verdachte en zijn vader. Door de vader van verdachte is daarbij geweld gebruikt richting verdachte. De moeder van verdachte duwt de vader van verdachte weg, waarna verdachte, met een bamboestok in de hand, de tuin uitloopt. Hierop is de vader van verdachte zijn zoon achterna gelopen de tuin uit. Verdachte heeft zijn vader na het verlaten van de tuin vervolgens op enig moment tweemaal met een scherp voorwerp gestoken in zijn buik. Uit de medische informatie volgt dat de vader twee steek- of snijwonden van respectievelijk 2,5 en 3,2 centimeter lang op de linkerzijde van de (onder)buik heeft opgelopen. Daarbij was sprake van een doorklieving van de onderliggende spierlaag. Over de diepte van het letsel is verder niets bekend.
Primair - poging tot doodslag?
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag op zijn vader. Daarvoor moet worden vastgesteld of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van zijn vader.
Uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting blijkt niet dat verdachte de bedoeling had om zijn vader te doden. Van vol opzet op de dood van verdachte is dan ook geen sprake. Wel kan sprake zijn van voorwaardelijk opzet.
Van voorwaardelijk opzet is sprake als een verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het intreden van een bepaald gevolg, in dit geval de dood. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat een verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank kan op basis van de verklaringen van verdachte en het dossier niet vaststellen wat er precies is gebeurd. Zo is onduidelijk waardoor het letsel van vader is ontstaan. Hoewel het forensisch
geneeskundig letselverslag aangeeft dat het bij de vader van verdachte geconstateerde letsel zeer veel waarschijnlijker past bij de hypothese dat het letsel is ontstaan ten gevolge van het steken met een scherprandig voorwerp of een mes dan dat het letsel is ontstaan ten gevolge van het steken met een bamboestok, kan de rechtbank niet vaststellen met wat voor voorwerp verdachte zijn vader heeft gestoken. Daarbij weegt de rechtbank mee
dat er geen mes of scherprandig voorwerp op of nabij de plaats delict of elders is gevonden.
Daardoor is niets bekend geworden over de afmetingen of andere specificaties van het voorwerp waarmee verdachte zijn vader heeft gestoken. Nu ook niets bekend is over de diepte van het door de vader van verdachte opgelopen letsel en of al dan niet met kracht is gestoken, kan de rechtbank niet concluderen dat het letsel van vader onmiskenbaar duidt op (hard) steken met een mes of ander scherprandig voorwerp door verdachte.
Gelet op het voorgaande kan ten aanzien van het handelen van verdachte enkel worden vastgesteld dat hij zijn vader tweemaal met een scherp voorwerp in de buik heeft gestoken, waardoor zijn vader voornoemd letsel heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat enkel dit handelen onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van de vader van verdachte en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde
Nu verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 1 oktober 2025, opgenomen op pagina 18
e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025266103 d.d. 19 februari 2026, inhoudend de verklaring en aangifte van [slachtoffer 1] ;
3. een ander schriftelijk bescheid, te weten een forensisch geneeskundig letselverslag d.d. 28 februari 2026 van drs. [arts 1] en drs. ing. [arts 2] , inhoudend waargenomen letsel bij [slachtoffer 1] , opgenomen op pagina 67 e.v. als bijlage bij het proces-verbaal Forensisch relaas d.d. 30 september 2025;
Subsidiair poging zware mishandeling?
Voor een bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zijn vader.
Het steken met een scherp voorwerp in de buik levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijk risico op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel op. In de buik bevinden zich diverse vitale organen en grote bloedvaten.
Gelet op die ervaringsregels mag de wetenschap van deze aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij verdachte worden verondersteld en verdachte heeft deze kans bewust aanvaard.
Daarmee valt voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te bewijzen. Op grond hiervan komt de rechtbank dan ook tot de bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
Nu verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 oktober 2025, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd procesdossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .
Parketnummer 18.225222.25
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de tenlastegelegde vernieling van het raam.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 augustus 2025, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025221936 d.d. 26 augustus 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .
Parketnummer 18.164656.25
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 31 januari 2025, opgenomen op pagina 119 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-
2025027213 d.d. 20 maart 2025 inhoudend de verklaring van verdachte (ter zake het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde);
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 januari 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd procesdossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] (ter zake het onder 1 ten laste gelegde);
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 januari 2025, opgenomen op pagina 54 e.v. van voornoemd procesdossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] (ter zake het onder 2 en 4 ten laste gelegde);
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 januari 2025, opgenomen op pagina 69 van voornoemd procesdossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 6] (ter zake het onder 2 en 4 ten laste gelegde);
5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 januari 2025, opgenomen op pagina 80 van voornoemd procesdossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5] (ter zake het onder 2 en 4 ten laste gelegde);
6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 januari 2025, opgenomen op pagina 93 van voornoemd procesdossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] (ter zake het onder 2 en 4 ten laste gelegde);
7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 14 maart 2025, opgenomen op pagina 40 van voornoemd procesdossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] (ter zake het onder 3 ten laste gelegde);
8. een schriftelijk bescheid, te weten een Rapport Alcohol en drugs in het verkeer d.d. 18 februari 2025, inhoudend de verklaring van dr. [naam] (ter zake het onder 3 ten laste gelegde);
9. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2025, opgenomen op pagina 23 van voornoemd procesdossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] (ter zake het onder 2 en 4 ten laste gelegde);
10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal FO Verkeer d.d. 31 januari 2025, opgenomen op pagina 99 van voornoemd procesdossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en
[verbalisant] (ter zake het onder 2 en 4 ten laste gelegde).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de volgende feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18.258631.25
1. subsidiair
hij op 30 september 2025 te Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een scherp voorwerp in de buik van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op 30 september 2025 te Emmen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] bij de hals en keel vast te pakken en vast te houden en in de hals en keel te knijpen, waardoor de zuurstoftoevoer werd belemmerd, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn moeder.
Parketnummer 18.225222.25
hij op 18 augustus 2025 te Emmen opzettelijk en wederrechtelijk een ruit die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield.
Parketnummer 18.164656.25
1.
hij op 31 januari 2025 te Emmen, opzettelijk wederrechtelijk een personenauto toebehorende aan [bedrijf] , als bestuurder heeft gebruikt op de weg het [adres] en de [adres] en de [adres] ;
2.
hij op 31 januari 2025 te Emmen, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg het [adres] en/of de [adres] en/of de [adres] ,
  • zonder dat hij een geldig rijbewijs had en
  • terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol en drugs
  • niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en
  • zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehad en niet op tijd heeft geremd waardoor hij, verdachte, is aangereden en gebotst tegen tuinhekken, muren, borders, een boom en een geparkeerde
auto, waarbij schade aan die goederen is toegebracht, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;
3.
hij op 31 januari 2025 te Emmen, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist dat het gebruik daarvan - in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
4.
hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij verkeersongevallen die hadden plaatsgevonden in Emmen op het [adres] en de [adres] en de [adres] , op 31 januari 2025 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ) schade was toegebracht.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter zake het onder parketnummer 18.258631.25 onder 1 ten laste gelegde
namens verdachte een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. Op het moment dat verdachte de tuin van zijn ouderlijk huis verliet, ging zijn vader achter hem aan. Blijkens een beeld- en geluidsopname in het procesdossier stonden verdachte en zijn vader dicht bij
elkaar en greep zijn vader verdachte vast. Verdachte moest zich tegen deze aanval verdedigen. Primair heeft de raadsman dan ook bepleit dat er sprake is van noodweer.
Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, heeft de raadsman subsidiair bepleit dat er sprake is van noodweerexces. Verdachte was boos door de mishandeling door zijn vader, die verdachte in de tuin had ondergaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces moet worden verworpen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat een noodweersituatie niet aannemelijk is gemaakt, aangezien verdachte geen herinnering heeft aan wat er precies is gebeurd. Verdachte heeft verklaard dat hij achteraf heeft beredeneerd dat hij zichzelf moet hebben verdedigd tegen zijn vader en dat dit ook noodzakelijk was. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de enkele angst voor een aanval van zijn vader niet voldoende is voor een gerechtvaardigd
beroep op noodweer. Het gevecht tussen vader en zoon in de tuin was immers afgelopen. Op het moment dat verdachte de tuin verliet, was de dreiging voorbij. De camerabeelden in het procesdossier geven juist een contra-indicatie voor het gestelde noodweerscenario. Daarnaast verklaren twee getuigen er niet over dat de door hen waargenomen woordenwisseling tussen vader en verdachte in geweld uitmondde.
Verder dient er in een noodweersituatie voor een geslaagd beroep op noodweerexces sprake te zijn van een hevige gemoedsbeweging. Daarvan is evenmin gebleken, nu verdachte daarover niet heeft verklaard en een hevige gemoedsbeweging ook anderszins niet uit het procesdossier blijkt.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is een noodweersituatie niet aannemelijk geworden. Noch uit het procesdossier, noch uit de verklaring van verdachte is gebleken dat er, direct voorafgaand aan het steken door verdachte, sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval door de vader, waartegen de verdediging noodzakelijk was. De beeld- en geluidopname waar de raadsman aan refereert maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is op de betreffende opname niet te zien dat vader verdachte vastgrijpt of aanvalt zodat een verdediging noodzakelijk was. Voor zover er al sprake zou zijn geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval door de vader van verdachte, waartegen de verdediging noodzakelijk was, merkt de rechtbank op dat verdachte gemakkelijk had kunnen wegrennen om een einde aan die situatie te maken in plaats van op de hem verweten wijze te handelen. Nu de rechtbank van oordeel is dat een noodweersituatie niet aan de orde was, kan van noodweerexces evenmin sprake zijn.
Ook het beroep op noodweerexces wordt daarom verworpen.
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 18.258631.25
subsidiair poging tot zware mishandeling
mishandeling, begaan tegen zijn moeder tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat
Parketnummer 18.225222.25
vernieling van een goed
Parketnummer 18.164656.25
overtreding van artikel 11 van Pro de Wegenverkeerswet 1994
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994
overtreding van artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten onder parketnummer 18.258631.25 onder 1 primair en 2, onder parketnummer 18.225222.25 en onder parketnummer 18.164656.25 onder 1, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden.
Ter zake het onder parketnummer 18.164656.25 onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte schuldig wordt verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel (artikel 9a Sr).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een kortdurende gevangenisstraf van drie tot maximaal zes maanden, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn
vader, mishandeling van zijn moeder, de vernieling van een ruit, joyriding, het veroorzaken van gevaar op de weg en schade aan eigendommen van anderen, het besturen van een auto onder invloed van alcohol en verdovende middelen, en het verlaten van de plaats van aanrijdingen zonder zijn gegevens achter te laten, terwijl hij schade had veroorzaakt
Het zwaartepunt ligt qua ernst van de feiten in het geweld dat verdachte tegen zijn ouders heeft gepleegd in september 2025. Verdachte is onder invloed van middelen naar zijn ouders gegaan en was niet voor rede vatbaar. Hij wilde kostte wat het kost zijn fietssleutel in handen krijgen, om per fiets een slaapplaats te vinden. Hij trapte de schuttingsdeur van de tuin open en greep zijn moeder bij haar keel, die daardoor in een beangstigende situatie terecht kwam.
Nadat verdachte de tuin verliet en zijn vader hem achterna liep, heeft verdachte zijn vader twee keer gestoken met een scherp voorwerp. Daarmee heeft hij de lichamelijke integriteit van zijn vader ernstig geschonden. Daarom neemt de rechtbank hem dat feit zeer kwalijk. Dat geldt ook voor het geweld tegen zijn moeder, van wie de lichamelijke integriteit ook is geschonden.
Aan deze gewelddadige avond gingen twee incidenten vooraf. In januari 2025 heeft verdachte tijdens een dollemansrit in de auto die zijn vader in gebruik had, zonder diens toestemming, onder invloed van verdovende middelen en zonder rijbewijs, een ravage aangericht op straat en in de tuinen van buurtgenoten. Ook raakten twee autos beschadigd, waarvan één
total loss. Met dit gedrag heeft verdachte niet alleen het vertrouwen van zijn vader beschaamd, maar ook veel overlast, tijdverlies, gevoelens van onveiligheid en financiële schade veroorzaakt voor de buurtgenoten. Zoals hij ter terechtzitting zelf heeft verteld is het niet aan verdachte te danken dat er geen slachtoffers zijn gevallen.
Daarnaast drong verdachte in augustus 2025 de woning van zijn ouders binnen, door het slaapkamerraam in te gooien.
Persoonlijke omstandigheden
Verdachte heeft zich ter terechtzitting berouwvol getoond over wat hij zijn ouders en anderen heeft aangedaan. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden, heeft spijt betuigd en heeft ter terechtzitting verklaard dat hij herhaling wil voorkomen en aan zijn drugsverslaving wil werken.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte blijkt dat hij in eerder is veroordeeld voor mishandeling.
De reclassering heeft over verdachte meerdere rapporten uitgebracht, laatstelijk op 17 februari 2026 met een aanvulling op 12 maart 2026. Het beeld wat uit de rapporten naar voren komt is van een nu 24-jarige verdachte die als jonge tiener softdrugs begon te gebruiken en nieuwsgierig werd naar harddrugs en medicatie, wat hij in de loop van jaren steeds meer is gaan gebruiken, tot hij niet zonder kon. Meerdere malen is hij opgenomen geweest in een verslavingskliniek, steeds tevergeefs. Verdachte heeft verklaard dat hij de niet te hanteren onrust in zijn hoofd tempert met drugs. Verdachte is zich er al langer van bewust dat hij opgenomen moet worden in een kliniek om daar behandeling te ondergaan, om definitief van zijn verslaving af te komen. Ondanks dit inzicht is hij ook tijdens de schorsing van de preventieve hechtenis in de kliniek teruggevallen in gebruik. Dit heeft zich niet beperkt tot een enkele terugval en was zelfs zo ernstig dat verdachte lichamelijke ontwenningsverschijnselen vertoonde. Ter terechtzitting heeft de heer Weijenbarg van de
reclassering het hiervoor geschetste beeld bevestigd.
De reclassering schat het risico op herhaling van delictgedrag hoog in, omdat verdachte onder invloed van middelengebruik agressief wordt en delicten pleegt om zijn verslaving te bekostigen. Hem moet het gebruik van deze middelen worden verboden en hij moet meewerken aan controles op het gebruik, aldus de reclassering. Desondanks moet niet elk onverhoopt gebruik leiden tot het einde van het reclasseringstoezicht en de behandeling.
De reclassering adviseert daarnaast om verdachte te verplichten zich door middel van een langdurig klinische opname te laten behandelen voor zijn verslavingsproblematiek en eventueel onderliggende problematiek, ter voorkoming van recidive. Na dit traject adviseert
de reclassering een ambulante behandeling en verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijk opvang. Daarbij dient verdachte zich ook in te zetten voor het vinden van werk of een dagbesteding. Ter terechtzitting heeft de reclassering het belang van een klinische opname benadrukt. De reclassering ziet geen mogelijkheden om betrokkene voor te bereiden op de klinische opname in een ambulant kader. De risicos op recidive laten dat niet toe.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. Gelet op wat de rechtbank bewezen heeft verklaard en hiervoor heeft overwogen, acht de rechtbank een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk passend en geboden. De rechtbank is het met de reclassering eens dat daarnaast bijzondere voorwaarden aan verdachte dienen te worden opgelegd, gericht op, in eerste instantie, de klinische opname van verdachte om eens en voor altijd af te kunnen kicken van zijn drugsverslaving. De rechtbank zal daarom bij voornoemde gevangenisstraf een proeftijd van drie jaren opleggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De op te leggen straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank de poging tot doodslag niet bewezen acht.
Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zal de rechtbank bepalen dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Ter zake het onder parketnummer 18.164656.25 bewezenverklaarde, geldt dat dit ziet op een overtreding (te weten: artikel 5 Wegensverkeerswet Pro 1994). Gelet op verwevenheid met de andere bewezenverklaarde verkeersfeiten en de daarvoor passend geachte straf, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een straf voor deze overtreding niet opportuun is. De rechtbank zal verdachte daarom schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

Benadeelde partij

[slachtoffer 6] heeft zich in de zaak met het parketnummer 18.164656.25 als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Ten en aanzien van de gevorderde materiële schade zijn in het voegingsformulier meerdere kostenposten vermeld, zoals het eigen risico van de schadeverzekering ( 150,00) en reiskosten ( 16,56
en 42,32). Een totaalbedrag aan gevorderde materiele schade ontbreekt echter. Ook heeft [slachtoffer 6] een immateriële schadevergoeding van 500,00 gevorderd in verband met de invloeden die al het regelwerk rondom de schade op emotioneel vlak bij hem hebben veroorzaakt. Aan de vordering zijn geen stukken ter onderbouwing toegevoegd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van het eigen risico en de reiskosten, zoals hierboven vermeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat een onderbouwing met bewijsstukken ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
Gevorderde materiële schade
Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden die het rechtstreekse gevolg is van het onder 2 in de zaak met parketnummer 18.164656.25 bewezenverklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Een onderbouwing ontbreekt immers, omdat de benadeelde partij geen bewijsstukken heeft overgelegd.
Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal de rechtbank dan ook niet overgaan. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gevorderde immateriële schade
De benadeelde partij heeft (daarnaast) vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. De door de benadeelde partij aangevoerde beïnvloeding op emotioneel vlak vormt nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd en ligt naar het oordeel van de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het feit niet in de rede. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt dan ook afgewezen.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling 18.143053.24

Bij onherroepelijk vonnis van 30 september 2024 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 14 oktober 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vorderingen van 28 mei 2025 en 24 november 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de werkstraf gevorderd, met omzetting daarvan in hechtenis, nu verdachte in de proeftijden opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moeten worden afgewezen omdat tenuitvoerlegging geen redelijk doel dient.
Oordeel van de rechtbank
Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten onder parketnummer 18.258631.25 en 18.164656.25 heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf. Voor omzetting van de werkstraf
in hechtenis ziet de rechtbank op dit moment geen reden. Integendeel, het uitvoeren van de werkstraf biedt een dagbesteding en kan bijdragen aan het vinden van een gezond dag- en nachtritme. Mocht veroordeelde deze straf niet of niet goed uitvoeren, dan wordt alsnog vervangende hechtenis toegepast.

Beslag

Onder verdachte zijn schoenen, kledingstukken en een smartphone inbeslaggenomen, waarop nog beslag rust.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de kleding en de smartphone worden teruggegeven aan verdachte, en dat een bamboestok wordt vernietigd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich verenigd met vernietiging van de bamboestok.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal bevelen dat de inbeslaggenomen schoenen, kledingstukken en iPhone aan verdachte worden teruggegeven. Ten aanzien van de bamboestok kan de rechtbank niet beslissen dat deze dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu niet kan worden vastgesteld dat het bewezenverklaarde met dit voorwerp is begaan en er evenmin een andere grond voor onttrekking is gebleken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 62, 300, 302, 304 en 350 Sr en de
artikelen 5, 7, 8, 11 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging in de zaak met parketnummer 18.012628.25.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18.258631.25 onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder parketnummer 18.258631.25 onder 1 subsidiair en 2, het onder parketnummer 18.225222.25 en het onder parketnummer 18.164656.25 onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende/tijdens de proeftijd:
meldt op afspraken met de verslavingsreclassering GGZ [instelling] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
laat opnemen in en behandelen door de forensische verslavingskliniek Basalt of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De opname start zodra de plaatsing mogelijk is en duurt één jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee
aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. laat behandelen door de forensische poli JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Indien er sprake is van een terugval
in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie of stabilisatie of observatie of diagnostiek of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
4. verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na afronding van de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
5. onthoudt van het gebruik van verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en in lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urine- of ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
6. geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urine- of ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
7. inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat alle voornoemde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat ter zake van het onder parketnummer 18.164656.25 onder 2 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Ten aanzien van parketnummer 18.164656.25, feit 2

Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6] ten aanzien van de materiele schade niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade af. Bepaalt dat de benadeelde partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.143053.24

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 30 september 2024, te weten 40 uren werkstraf, te vervangen door 20 dagen hechtenis.
Beveelt de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen:
  • Apple iPhone smartphone, goednummer PL0100-2025266103-187049
  • New Balance rechterschoen, goednummer PL0100-2025266103-187025
  • New Balance linkerschoen, goednummer PL0100-2025266103-187028
- Broek, goednummer PL0100-2025266103-187029
- Jas, goednummer PL0100-2025266103-187030
- Shirt, goednummer PL0100-2025266103-187032
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. J. Faber en L.M.B. Soppe, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2026.