ECLI:NL:RBNNE:2026:99

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
25/76 25/77
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Tijdelijke wet Groningen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op vergoeding mijnbouwschade wegens eerdere behandeling en onbevoegdheid Instituut

Eiser heeft schade aan zijn woning gemeld die verband houdt met mijnbouwactiviteiten en verzocht om vergoeding. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen wees een deel van de aanvragen af wegens onbevoegdheid, omdat het ging om schades die eerder door het Centrum Veilig Wonen waren behandeld.

Eiser voerde aan dat het Instituut de hardheidsclausule uit de Tijdelijke wet Groningen (TwG) had moeten toepassen en dat het niet opnieuw beoordelen van de schades onbillijk en in strijd met het evenredigheidsbeginsel was. De rechtbank oordeelde dat het Instituut terecht onbevoegd was en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was, omdat er geen onbillijkheden van overwegende aard waren en de schades niet ernstig waren.

De rechtbank benadrukte dat het wettelijk bewijsvermoeden niet met terugwerkende kracht geldt en dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet kan leiden tot het buiten toepassing stellen van de wettelijke onbevoegdheid. De beroepen van eiser zijn daarom ongegrond verklaard, en hij krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

De uitspraak is gedaan door rechter D.M. Schuiling en griffier A. Huizenga-Bergsma op 20 januari 2026. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het vonnis.

Uitkomst: De beroepen van eiser tegen de afwijzing van schadevergoedingen wegens eerder behandelde mijnbouwschades zijn ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/76 en 25/77

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.P. Wempe),
en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigde: mrs. B.P. van de Togt en B.C. Rots).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen van eiser tegen de gedeeltelijke afwijzing van de aanvragen tot vergoeding van schade aan de woning van eiser, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut zich terecht onbevoegd heeft verklaard om over de eerder behandelde schades onder 14, 15, 19, 27 en 29 te oordelen. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 april en 23 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een vergoeding van schade aan zijn woning. Het Instituut heeft deze aanvragen met de besluiten van 19 juli en 18 september 2024 gedeeltelijk afgewezen, omdat het Instituut ten aanzien van die schades onbevoegd is. Met de bestreden besluiten van 11 november 2024 op de bezwaren van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten, voorzien van een contra-expertiserapport door deskundige R. Lania van deskundigenbureau Vergnes Expertise. Eiser heeft op 21 augustus 2025 zijn beroepsgronden aangevuld.
Het Instituut heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift, voorzien van een deskundigenbericht van deskundige R. Wiersum van deskundigenbureau D.O.G Ingenieurs.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het Instituut en deskundige Wiersum.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Eiser is sinds 2009 eigenaar van de in 2001 gebouwde tussenwoning aan de [adres] , te [woonplaats] . Op 18 februari 2015 heeft eiser voor het eerst schade aan zijn woning gemeld bij het Centrum Veilig Wonen (CVW). Naar aanleiding van deze schademelding en het daartoe opgemaakte adviesrapport NAM0059581, heeft eiser een schadevergoeding ontvangen.
3.1.
In 2024 heeft eiser opnieuw tweemaal schade gemeld. Op 13 mei 2024 is er een schadeopname uitgevoerd, waarna op 25 mei 2025 een adviesrapport S-4533012 is opgeleverd door deskundige M. Schoonveld van deskundigenbureau D.O.G Ingenieurs. Deskundige P. Pellicaan van deskundigenbureau 10BE heeft naar aanleiding van de tweede schadeopname op 30 augustus 2024, een adviesrapport S-4717032 uitgebracht op 16 september 2024. In beide adviesrapporten wordt geadviseerd eiser een schadevergoeding toe te kennen. Ten aanzien van de schades 14, 15, 19, 27 en 29 staat in de adviesrappporten vermeld dat het hier gaat om schades die eerder behandeld zijn door het CVW en dat het Instituut daarom niet bevoegd is en daarvoor geen vergoeding kan toekennen.
3.2.
Na het ontvangen van de adviesrapporten heeft eiser het Instituut laten weten geen opmerkingen te hebben. Daarop heeft het Instituut met de primaire besluiten van 19 juli en 18 september 2024, schadevergoedingen van respectievelijk € 14.943,07 en
€ 3.404,34 toegekend aan eiser.
3.3.
Eiser heeft op 23 juli en 25 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.
3.4.
Op 11 november 2024 heeft het Instituut de bezwaren ongegrond verklaard.
Omvang van het geding
4. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat het beroep ziet op schades 14, 15, 19, 27 en 29 uit het adviesrapport S-4533012 en schades 7-9 uit het adviesrapport S-4717032. De beroepsgrond die zag op schade 6 uit het adviesrapport S-4533012 is door eiser ingetrokken.
Toetsingskader
5. Volgens artikel 2, vierde lid, van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) is het Instituut niet bevoegd om een aanvraag om vergoeding van schade te behandelen indien deze schade betreft waarvoor:
a. voor 31 maart 2017, 12:00 uur een schademelding of -claim is voorgelegd aan het Centrum Veilig Wonen of de exploitant;
(…)
5.1.
In artikel 2, vijfde lid, van de TwG is een hardheidsclausule opgenomen. Het Instituut kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, afwijken van het bepaalde in het vierde lid, onder a en b, ten einde onbillijkheden van overwegende aard te voorkomen. In de toelichting is vermeld dat is gedacht aan het geval waarbij sprake is van een combinatie van (zeer) ernstige schade en een buitengewoon procesverloop.
Slaagt het beroep op de hardheidsclausule?
6. Tussen partijen is niet in geschil dat schades 14, 15, 19, 27 en 29 uit het adviesrapport S-4533012 en schades 7-9 uit het adviesrapport S-4717032 identiek zijn aan de schades die het CVW eerder heeft beoordeeld.
6.1.
Allereerst merkt eiser op dat de contra-expertiserapporten geen gronden voor beroep opleveren. Hij neemt daarom afstand van de contra-expertiserapporten.
6.1.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat het Instituut toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule van artikel 2, vijfde lid, van de TwG. Volgens hem zouden de genoemde eerder behandelde schades, als deze nu waren gemeld, op basis van het huidige beoordelingskader van het wettelijk bewijsvermoeden wél voor een schadevergoeding in aanmerking zijn gekomen. Naar huidige inzichten geldt een grenswaarde van 8,5 mm/s bij schade aan metselwerk in een normaal gebouw. Boven de grenswaarden is er een reëel risico van schade door trillingen. Bij trillingen boven deze grenswaarden dient er nader onderzoek plaats te vinden. Deze kennis en inzichten bestonden in 2015 nog niet. Eiser verwijst hierbij ook naar deskundige Vrieling, die bevestigd heeft dat de schades volgens het huidige beoordelingskader anders beoordeeld zouden worden dan in 2015. Daarbij merkt eiser op dat de eerder behandelde schades vergelijkbaar zijn met de schades waarvoor hij in 2024 wel een schadevergoeding heeft ontvangen. Het niet alsnog beoordelen van de eerder behandelde schades volgens het huidige beoordelingskader, wordt door eiser als apert onbillijk ervaren. Het levert een ernstig gevoel van onrechtvaardigheid op. Bovendien is het Instituut gehouden aan ruimhartigheid.
6.1.2.
Tijdens de zitting heeft eiser verder aangevoerd dat het niet alsnog beoordelen van de eerder behandelde schades, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] en wijst erop dat in dit geval ook sprake is van een discretionaire bevoegdheid. De rechter mag dit dan ook intrinsiek toetsen, waarbij de aard en het gewicht van het belang van eiser en de ingrijpendheid van de beslissing dienen te worden meegewogen.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt bij eerder behandelde, identieke schade is dat het Instituut niet bevoegd is om deze opnieuw te behandelen. Van dat uitgangspunt kan alleen met een geslaagd beroep op de hardheidsclausule worden afgeweken. In dat kader merkt de rechtbank ten eerste op dat in het geval van eiser geen sprake is van onbillijkheden van overwegende aard. De Afdeling heeft bepaald dat de omstandigheid dat bij een eerdere beoordeling van de schade geen toepassing behoefde te worden gegeven aan het wettelijke bewijsvermoeden, geen omstandigheid is waarin appellant in het bijzonder wordt getroffen. [2] Dit geldt ook voor eiser die zich op het huidige beoordelingskader daarvan beroept. Ten tweede zijn de schades van eiser niet als zeer ernstig te kwalificeren; het zijn schades van beperkte omvang die ook in vele andere woningen in het aardbevingsgebied zijn waar te nemen. Ten derde maakt het feit dat eiser onder andere vanwege zijn persoonlijke omstandigheden geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de beslissing van het CVW, niet dat daardoor sprake is geweest van een buitengewoon procesverloop. Gelet op het voorgaande, is de situatie van eiser juist een situatie die de wetgever voor ogen heeft gehad bij het opstellen van de hardheidsclausule en waarvan het niet de bedoeling was dat deze daaronder zou vallen. Verder leidt ruimhartigheid er niet toe dat het Instituut zich een bevoegdheid kan toekennen die het op grond van de TwG niet heeft. Een beroep op de hardheidsclausule kan dan ook niet slagen.
6.2.1.
Wat naar voren is gebracht over strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel doet daar niets aan af, omdat het gaat om een in de TwG verdisconteerde omstandigheid. Door de wetgever is in de TwG expliciet voorzien in de mogelijkheid om middels een beroep op de hardheidsclausule af te wijken van artikel 2, vierde lid onder a van de TwG, voor die gevallen waarin de onbevoegdheid van het Instituut tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. Bovendien heeft de wetgever er niet voor gekozen om het bewijsvermoeden met terugwerkende kracht toe te passen. Het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel kan er niet toe leiden dat de wettelijke bepaling -waaruit volgt dat het Instituut onbevoegd is- buiten toepassing wordt gesteld.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het Instituut de bezwaren terecht ongegrond heeft verklaard. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABvRS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
2.ABvRS 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2232.