ECLI:NL:RBNNE:2026:970

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
18/292610-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 38v SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor stalking en bedreiging van dochter en haar vriendin met gevangenisstraf en contactverbod

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het stelselmatig stalken en bedreigen van zijn dochter en een vriendin van zijn dochter. De feiten betreffen een periode van oktober 2025 waarin verdachte zijn dochter met meer dan 200 intimiderende en dreigende berichten bestookte, en haar op 28 oktober 2025 telefonisch bedreigde met woorden die de vrees voor een misdrijf tegen het leven opriepen. Daarnaast bedreigde verdachte op 14 juli 2025 een vriendin van zijn dochter met de dood.

De rechtbank achtte de bedreigingen en het stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer wettig en overtuigend bewezen. De verdediging voerde aan dat de bedreigingen voortkwamen uit emotionele opwelling en dat het contact wederkerig was, maar dit werd verworpen. De rechtbank benadrukte de kwetsbare positie van het minderjarige slachtoffer, dat uit huis was geplaatst en onder toezicht stond.

De straf bestaat uit een gevangenisstraf van 242 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een meldplicht, een contactverbod met de slachtoffers en een locatiegebod met elektronische monitoring. Daarnaast is een contactverbod opgelegd op grond van artikel 38v Sr, dat dadelijk uitvoerbaar is, om de dochter te beschermen. De rechtbank weegt mee dat verdachte spijt betuigt, maar onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 242 dagen gevangenisstraf, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een contactverbod en bijzondere voorwaarden ter bescherming van het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Parketnummer 18/292610-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 28 oktober 2025 te Meppel, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Jij gaat dood, dat staat dan vast, maar wie gaat dan naar de gevangenis? Of twee van je broers, of ik en één van jouw broers of je vader, of misschien wel allemaal", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2
hij in of omstreeks de periode van 22 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2025 te Meppel, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door die [slachtoffer 1] veelvuldig (telefonisch) berichten te sturen met intimiderende en/of beledigende en/of dwingende teksten met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
3
hij op of omstreeks 14 juli 2025 te Utrecht, althans in Nederland [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: " [naam 1] gaat jou eerst vermoorden voordat hij [slachtoffer 1] gaat vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw hiertoe aangevoerd dat verdachte de ten laste gelegde bewoordingen heeft gezegd in een emotionele opwelling als gevolg van de door hem gevoelde onmacht en bezorgdheid over de situatie van zijn dochter [slachtoffer 1] . Gelet op deze context kunnen de uitlatingen van verdachte niet worden aangemerkt als een (strafbare) bedreiging.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op een onrechtmatige wijze inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . Uit het stopgesprek blijkt immers niet dat verdachte geen contact met [slachtoffer 1] mocht hebben. Daarnaast heeft [slachtoffer 1] ook zelf berichten naar verdachte gestuurd en heeft zij verdachte in de ten laste gelegde periode ook regelmatig ontmoet.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte stellig ontkent dat hij aangeefster [slachtoffer 2] heeft bedreigd. Voor de andersluidende verklaring van aangeefster bevat het procesdossier onvoldoende steunbewijs. De verklaring van [slachtoffer 1] kan niet
als steunbewijs worden gebruikt omdat deze verklaring onvoldoende specifiek is.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde feit
De rechtbank acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 16 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op het spraakbericht van 28 oktober 2025 is mijn stem te horen. Het klopt dat ik toen tegen [slachtoffer 1] heb gezegd Jij gaat dood, dat staat dan vast, maar wie gaat dan naar de gevangenis? Of twee van je broers, of ik en één van jouw broers of je vader, of misschien we allemaal.
Wat ik heb gezegd is gevaarlijk. Een meisje mag dat niet horen van haar vader.
Ik heb [slachtoffer 1] in die periode heel veel berichten gestuurd. Dit waren er meer dan 200. Ik wilde dat mijn dochter terugkwam.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 oktober 2025, opgenomen op pagina 37 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100/2025295605 (onderzoek Western) d.d. 5 januari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
A: Ik kom aangifte doen van bedreiging en stalking tegen mijn vader. Twee dagen geleden stuurde hij een bericht dat hij iets belangrijks wilde bespreken. Hij belde toen en zei dat hij mij dood zou maken. Dat hij mijn broers op mij af zou sturen.
V: Geloof je dat hij dit gaat doen? A: Ja.
O: Tijdens de aangifte blijven er berichten binnen komen van vader.
V: Hoeveel berichten krijg je van de vader per dag? A: Tweehonderd.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (inclusief bijlagen) d.d. 6 november 2025, opgenomen op pagina 66 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Dit proces-verbaal bevat de vertaling van door aangeefster ontvangen chat-/tekstberichten. De ontvangen berichten dateren van 22 oktober 2025 t/m 31 oktober 2025. [verdachte] heeft gedurende de gehele periode heel veel berichten naar aangeefster [slachtoffer 1] gestuurd.
Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot het hiervoor weergegeven standpunten van de raadsvrouw overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij in de periode van 22 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2025 een groot aantal berichten heeft gestuurd aan zijn dochter [slachtoffer 1] . De rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een bijna continue stroom aan berichten, verstuurd van s ochtends vroeg tot diep in de nacht. De inhoud en toon van deze berichten varieerde van intimiderend, dwingend, dreigend en boos tot (zeer) kwetsend, smekend en wanhopig. Zo stuurt verdachte [slachtoffer 1] onder meer de volgende berichten:
  • op 22 oktober 2022 tussen 19:58 uur en 19:59: Alles ligt in jouw handen, papa. Als jij terugkomt, komt het leven bij mij terug. Als je niet terugkomt, dan ben ik dood...;
  • op 23 oktober om 04:21 uur: De leeuwen hoorden het geluid van de ezel [naam 2] en zijn gehinnik. Ze zeiden: “Schaamte! Er is een ezel bij ons!” Ze vielen de arme ezel aan. sloegen en wurgden hem, en aten hem uiteindelijk op. [naam 3] klom op een rots en huilde luid: God heb medelijden met hem. We hebben hem gewaarschuwd, maar hij luisterde niet. Arme [naam 2] ... je bent overleden. Wees niet zoals [naam 2] .;
  • op 25 oktober 2025 om 05:32 uur: Ik maak het af omdat je dom bent en je hoofd een oud paar schoenen is;
  • op 26 oktober 2025 om 16:47 uur: Jij koos jouw vuile wereld boven het hiernamaals;
  • Op 26 oktober 2025 om 02:18 uur: Jij hebt het hoogste niveau van onrecht gedaan, dat je Heer niet onopgemerkt zal laten;
  • op 27 oktober 2025 om 19:39 uur: Waar is je schone hart... Jij hebt het smerigste hart dat de mensheid ooit kende.;
  • op 27 oktober 2025 tussen 23:49 uur en 23:58 uur: Hopelijk verhoort God mijn gebed en hoef ik de rekening niet te betalen. Ik moet hem betalen. Het kan niet anders;
  • op 28 oktober 2025 tussen 03:07 uur en 03:09 uur: En voorde laatste keer zeg ik je: de deur van berouw staat nog open. Dwing me niet om een prijs te betalen die alleen God kent. Hopelijk beschermt God mij tegen wat komen gaat en leidt Hij jou;
  • op 28 oktober 2025 om 19:18 uur: Niemand van hen heeft zijn vader en moeder beledigd zoals jij. Wat een schande...;
  • op 31 oktober 2025 om 14:05 uur: En onze Heer zegt: '"Denk niet dat God onverschillig is tegenover wat de onrechtvaardigen doen; Hij stelt hen slechts uit tot een dag waarop de ogen verstijven van angst.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte in voornoemde periode op een obsessieve en zeer indringende wijze [slachtoffer 1] ervan proberen te doordringen om terug naar huis te komen en zich te conformeren aan het beeld dat verdachte voor haar en haar toekomst in gedachten had. Gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van deze berichten is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] .
Door de verdediging is aangevoerd dat het contact tussen verdachte en [slachtoffer 1] wederkerig was, zodat niet gesproken kan worden van een
wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank moet het voor verdachte duidelijk zijn geweest dat hij met zijn gedrag de grenzen van de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] op een ongeoorloofde wijze overschreed. De relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] was in de ten laste gelegde periode zeer gespannen en [slachtoffer 1] woonde als gevolg daarvan niet meer thuis. Uit het procesdossier blijkt dat [slachtoffer 1] op 19 maart 2025 voorlopig onder toezicht is gesteld en uit huis geplaatst. Zij bevond zich daarom, in het bijzonder ten opzichte van verdachte, haar vader, in een kwetsbare positie. Verdachte wist dit ook. Hoewel uit het procesdossier blijkt dat [slachtoffer 1] in de ten laste gelegde periode gereageerd heeft op berichten van verdachte, volgt uit het procesdossier ook dat [slachtoffer 1] in het overgrote deel van de gevallen
nietreageerde. Ook het initiatief tot het in stand houden van het contact kwam telkens vanuit verdachte. De berichten die [slachtoffer 1] wel heeft verstuurd in reactie op de berichten van verdachte, waren voorts dermate kort van stof dat deze niet kunnen worden aangemerkt als een wezenlijke bijdrage aan (het in stand houden van) het contact. De
door [slachtoffer 1] (incidenteel) verstuurde berichten doen naar het oordeel van de rechtbank dan ook niets af aan het belastende karakter van het veel grotere aantal berichten dat verdachte heeft verstuurd. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft belaagd, zoals onder feit 2 aan hem is ten laste gelegd. Dat het voor verdachte niet duidelijk zou zijn geweest dat hij geen contact met [slachtoffer 1] mocht hebben doet daar niet aan af. De in artikel 285b Sr omschreven gedraging kan ook als inbreuk makend op de persoonlijke levenssfeer van een ander kan worden aangemerkt indien die ander niet voorafgaand aan die gedraging aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt geen contact met hem te willen.
Verdachte heeft ter terechtzitting voorts erkend dat hij op 28 oktober 2025 in een telefoongesprek tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd: Jij gaat dood, dat staat dan vast, maar wie gaat dan naar de gevangenis? Of twee van je broers, of ik en één van jouw broers of je vader, of misschien we allemaal. De rechtbank is van oordeel dat deze bewoordingen naar hun aard reeds zonder meer geschikt zijn om als een (strafbare) bedreiging te kunnen worden aangemerkt. Gelet op de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, is de rechtbank voorts van oordeel dat bij [slachtoffer 1] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden uitgevoerd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] al langere tijd (zeer) gespannen was omdat [slachtoffer 1] tegen de zin van verdachte in niet meer thuis woonde, dat verdachte [slachtoffer 1] in de dagen voorafgaand aan het telefoongesprek veelvuldig intimiderende, dreigende en dwingende berichten heeft gestuurd en dat [slachtoffer 1] in haar aangifte heeft benoemd dat zij daadwerkelijk bang was voor verdachte. Dat verdachte in een emotionele opwelling zou hebben gehandeld, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het bedreigende karakter van zijn woorden. De door verdachte gekozen woorden zijn bovendien dusdanig specifiek dat verdachte door die woorden te gebruiken ook ten minste de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat daardoor bij [slachtoffer 1] het gevoel werd opgeroepen dat haar (fysieke) veiligheid in het geding was. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde bedreiging.
Bewezenverklaring het onder 3 ten laste gelegde feit
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2025, opgenomen op pagina 170 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100/2025295605 (onderzoek Western) d.d. 5 januari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 14 juli 2025 bevond ik mij op het Stationsplein in Utrecht. Ik was daar om een
vriendin van mij te ontmoeten. [slachtoffer 1] . Ik zag ineens dat de vader van [slachtoffer 1] naar ons toe liep. Ik zag dat [verdachte] mij aankeek, ik zag dat hij met zijn wijsvinger naar mij wees en daarbij de volgende woorden sprak: " [naam 1] gaat jou eerst vermoorden voordat hij [slachtoffer 1] gaat vermoorden." Ik denk dat [naam 1] er echt toe is staat is om mij te vermoorden. Ik voelde op dat moment wel angst.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 oktober 2025, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
V: Vanaf wanneer ben jij naar Utrecht toe gegaan?
A: Ik heb daar gewoond van maart tot en met juli dit jaar. V: Toen kreeg je al bedreigingen?
A: Ja. Ik was met mijn vriendin in de stad. Mijn vader begon te bedreigen. Hij zei dat ik dood ging en mijn
vriendin ook. Hij zei dat mijn broers mij en haar dood gingen maken. Ook mijn vriendin omdat ze mij geholpen had.
Bewijsoverweging
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] voldoende specifiek is om als steunbewijs te kunnen worden gebruikt. Ook [slachtoffer 1] verklaart immers dat verdachte op 14 juli 2025 in Utrecht tegen haar en [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij zouden worden gedood én dat dit zou geschieden door (één van) de broers van [slachtoffer 1] . De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 28 oktober 2025 in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen “Jij gaat dood, dat staat dan vast, maar wie gaat dan naar de gevangenis? Of twee van je broers, of ik en één van jouw broers of je vader, of misschien wel allemaal”;
2
hij in de periode van 22 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door die [slachtoffer 1] veelvuldig telefonisch berichten te sturen met intimiderende en beledigende en dwingende teksten met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen;
3
hij op 14 juli 2025 te Utrecht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: “ [naam 1] gaat jou eerst vermoorden voordat hij [slachtoffer 1] gaat vermoorden”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
2: belaging;
3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, inclusief een contactverbod met aangeefster [slachtoffer 2] . De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren;
  • de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr), inhoudend een contactverbod met aangeefster [slachtoffer 1] voor de duur van 5 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat uitgaande van een bewezenverklaring artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) aan de orde is. De raadsvrouw heeft hiertoe gewezen op de (relatief) geringe ernst van de feiten en de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Om deze reden verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om, op een zo kort mogelijke termijn, de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. De raadsvrouw heeft voorts bepleit dat oplegging van bijzondere voorwaarden niet nodig is. Met betrekking tot het contactverbod met aangeefster [slachtoffer 1] heeft de raadsvrouw hiertoe in het bijzonder aangevoerd dat een contactverbod het (eventuele) herstel van de familiebanden in de weg zal staan.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapporten van 11 november 2025 en 21 november 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van 2 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking en bedreiging van zijn dochter, [slachtoffer 1] . In de periode van 22 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2025 heeft verdachte [slachtoffer 1] dagelijks vele Whatsappberichten gestuurd, vaak van s ochtends vroeg tot diep in de nacht. De inhoud en toon van deze berichten varieerde van intimiderend, dwingend, dreigend en boos tot (zeer) kwetsend, smekend en wanhopig. Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer 1] op 25 oktober 2025 in een telefoongesprek bedreigd met de dood. Alle berichten hadden tot doel om [slachtoffer 1] ervan te doordringen dat zij terug naar huis moest komen, iets wat [slachtoffer 1] op dat moment niet kon of wilde doen. Met zijn (obsessieve) handelen heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en bij haar gevoelens van angst veroorzaakt. [slachtoffer 1] was destijds 17 jaar oud en bevond zich in een kwetsbare positie, omdat zij voorlopig onder toezicht was gesteld en uit huis was geplaatst. Verdachte is haar vader en daarmee bij uitstek de persoon bij wie [slachtoffer 1] zich veilig en geborgen had moeten voelen. Verdachte heeft hier echter geen oog voor gehad en heeft zijn eigen gevoelens en belangen boven die van [slachtoffer 1] gesteld. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.
Daarnaast heeft verdachte zich op 14 juli 2025 schuldig gemaakt aan een bedreiging van [slachtoffer 2] , een vriendin van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft [slachtoffer 2] ook bedreigd met de dood. Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat dit incident voor [slachtoffer 2] , die niets met het conflict tussen verdachte en [slachtoffer 1] te maken heeft, zeer beangstigend is geweest. Ook dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
Het strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De persoon van verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn vrouw en jongste kinderen recent zijn teruggekeerd naar Syrië. Vier andere kinderen zijn in Nederland gebleven. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij in Meppel een eigen huurwoning heeft, dat hij een grote schuldenlast heeft en dat hij graag aan het werk wil om inkomen te genereren om zijn schulden af te lossen en zijn gezin (financieel) te ondersteunen. Uit het reclasseringsrapport van 11 november 2025 volgt dat er veel onduidelijkheid bestaat over de leefgebieden van verdachte. In het bijzonder heeft de reclassering (te) weinig zicht gekregen op het hasjgebruik van verdachte en zijn denkpatronen vanuit zijn culturele achtergrond. Vanwege de eigen huurwoning en het hebben van een uitkering schat de reclassering het algemene recidiverisico in als laag-gemiddeld. De risicos ten aanzien van de veiligheid van [slachtoffer 1] schat de reclassering evenwel in als reëel. De reclassering adviseert daarom om verdachte □ ter bescherming van [slachtoffer 1] □ een contactverbod met [slachtoffer 1] , een locatiegebod met elektronische monitoring en een meldplicht bij de reclassering op te leggen.
Bij het bepalen van (de hoogte van) de strafmodaliteit weegt de rechtbank tot slot nog het volgende mee.
De rechtbank waardeert het dat verdachte ter terechtzitting spijt heeft betuigd. Dat verdachte (mede) door onderhavige incidenten op dit moment niet bij zijn gezin kan zijn en dat hij in het geheel geen contact heeft met [slachtoffer 1] , doet hem zichtbaar veel verdriet. Tegelijkertijd kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte het kwalijke van zijn handelen nog niet (volledig) inziet.
Verdachte lijkt de verantwoordelijkheid voor zijn handelen (geheel) af te schuiven op zijn emoties en hasjgebruik. Het oprechte besef dat hij, als volwassene en vader van [slachtoffer 1] , zelf verantwoordelijk blijft voor zijn eigen gedrag □ ook bij heftige emoties en spanningen □ lijkt bij verdachte te ontbreken. Dit
baart de rechtbank zorgen voor de toekomst.
De straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur. Tegelijkertijd ziet de rechtbank in de persoon van verdachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de door de reclassering als reëel ingeschatte veiligheidsrisicos voor [slachtoffer 1] , aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in min of meer soortgelijke zaken worden opgelegd. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de op te leggen straf lager is dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 242 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de volgende bijzondere voorwaarden verbonden: meldplicht, een contactverbod met [slachtoffer 1] en een locatiegebod met elektronische monitoring. De aansluiting op de elektronische monitoring dient plaats te vinden in de penitentiaire inrichting. Gelet op de aard van de bedreiging en de omstandigheid dat [slachtoffer 2] een goede vriendin van [slachtoffer 1] is en dus met [slachtoffer 1] in contact staat, acht de rechtbank ook een contactverbod met [slachtoffer 2] aangewezen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Op grond van artikel 14e Sr kan de rechtbank dit bevel slechts geven indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte
wederomeen misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Nu de bewezenverklaarde feiten naar hun aard niet direct gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam is naar het oordeel van de rechtbank aan deze voorwaarde niet voldaan. De rechtbank zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden dan ook niet gelasten.
De maatregel
De rechtbank zal voorts, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen, inhoudende een contactverbod met zijn dochter [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank acht het van belang dat [slachtoffer 1] rust in haar leven krijgt en dat zij de kans krijgt om haar eigen keuzes voor haar toekomst te maken, zonder de angst dat verdachte zich opnieuw belastend jegens haar zal gedragen. Dit geldt temeer omdat verdachte ter terechtzitting heeft laten blijken [slachtoffer 1] wel met rust te willen laten, behalve voor wat echt noodzakelijk is. Ook nu lijkt verdachte voorrang te geven aan zijn eigen behoeftes en is hij niet (volledig) bereid een pas op de plaats te maken als de belangen van [slachtoffer 1] daarom vragen. Gelet hierop moet naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat verdachte wederom jegens [slachtoffer 1] een misdrijf zal plegen of zich belastend zal gedragen. Om dit te voorkomen zal de rechtbank oplegging van een contactverbod op grond van artikel 38v Sr voor de duur van twee jaren bevelen, met één week hechtenis voor iedere overtreding van dit verbod (met een maximum van zes maanden). De reden om naast bijzondere voorwaarden ook een contactverbod op grond van artikel 38v Sr op te leggen, is gelegen in de omstandigheid dat in het kader van artikel 38v Sr daadkrachtig kan worden opgetreden tegen een overtreding van het contactverbod, zonder dat dit direct van het invloed is op het door de reclassering uit te oefenen toezicht. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank deze maatregel dadelijk uitvoerbaar
verklaren, zodat [slachtoffer 1] ook gedurende een eventueel hoger beroep beschermd is tegen verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 242 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 90 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. veroordeelde meldt zich op afspraken met Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen de afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor het maken van de eerste afspraak;
2. veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2007, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
3. veroordeelde is op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft veroordeelde een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. Veroordeelde zal zich ter controle van dit locatiegebod onder elektronische monitoring/toezicht stellen voor de duur van maximaal zes maanden of zoveel korter als reclassering nodig vindt. De aansluiting zal plaatsvinden in de Penitentiaire Inrichting . Het huidige verblijfadres is [adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Legt op de
maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, strekkende tot beperking van de vrijheid,inhoudende dat veroordeelde voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 (het slachtoffer).
Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van in totaal zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.B. Soppe, voorzitter, mr. J. Faber en mr. A. van den Oever, rechters, bijgestaan door mr. K. Bodewes, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2026.