1.15uur, vond er een inbraak/gekwalificeerde diefstal plaats op een rondvaartboot, gelegen aan de [adres] te Groningen. De beelden van deze inbraak waren door mij, verbalisant, reeds bekeken. Op dit beeldmateriaal zag ik dat de verdachte een voor honderd procent gelijkende jas droeg als de jas die in de locker werd aangetroffen. Ook stond er een fles wijn (Pizzolato, Pinot Grigio) in de locker, welke overeenkomstig is met de fles die is weggenomen bij de diefstal op de rondvaartboot. Tevens zag ik op de beelden dat de verdachte met een identieke fles wijn in zijn handen loopt. Het is een kenmerkende zwart-witte jas van het merk lcono Couture. Het merk staat op voorzijde van de jas. Op de linkermouw van de jas zit een embleem met de letters Cl.
4. De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 6 maart 2026.
Bewijsoverweging
Op 30 juni 2025 heeft [slachtoffer 3] aangifte gedaan van diefstal van flessen prosecco uit zijn rondvaartboot op 25 juni 2025. Op de aangeleverde camerabeelden is te zien dat er een persoon in de boot is. Deze persoon draagt een witte jas met zwarte mouwen. Hij is even later te zien met een fles in zijn hand, waarna hij de boot verlaat. De screenshots van de desbetreffende camerabeelden (op pagina 87 en 88 van het dossier) zijn nogmaals bekeken en met verdachte besproken tijdens de terechtzitting.
Verdachte heeft zich daarbij op zijn zwijgrecht beroepen. De rechtbank stelt op grond van haar waarneming van die screenshots en haar waarneming van de verdachte ter terechtzitting echter vast dat de man op de beelden, de verdachte is. De gelaatstrekken van verdachte zijn duidelijk te zien in het licht van de zaklantaarn.
In de locker op de kamer van de medeverdachte is vervolgens op 1 juli 2025 eenzelfde jas aangetroffen als de jas die te zien is op de camerabeelden in de rondvaartboot. Ook is er in diezelfde locker een fles prosecco aangetroffen. Verdachte logeerde op dat moment bij de medeverdachte.
Diezelfde nacht, slechts een uur eerder, is er een telefoon en een smartwatch ontvreemd uit een woonboot die vlakbij de rondvaartboot ligt. Op de beelden is te zien dat er twee personen de boot zijn binnengedrongen. Een van deze personen droeg een jas gelijkend op de jas die verdachte een uur later aan had in de rondvaartboot. De gestolen telefoon is een dag later in aluminiumfolie gewikkeld bij verdachte aangetroffen. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting geen verklaring willen afleggen. Eerder heeft hij tegenover de politie verklaard de telefoon twee dagen daarvoor te hebben gekocht. Dit kan echter onmogelijk het geval zijn, omdat aangeefster op dat moment nog beschikte over haar telefoon. Dit maakt dat de rechtbank deze verklaring van verdachte aanmerkt als ongeloofwaardig.
Bovenstaande feiten en omstandigheden, ook in samenhang gezien, vormen sterke aanwijzingen dat verdachte samen met de medeverdachte beide diefstallen uit de boten heeft begaan, envragen in beginsel om een redelijke verklaring van verdachte. Hij stelt daar echter niets tegenover en beroept zich op zijn zwijgrecht, hetgeen de rechtbank sterkt in de overtuiging dat hij beide feiten heeft begaan.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde feit heeft begaan.
Ten aanzien van parketnummer 13-007383-26
De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 05 februari 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 januari 2026, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Eenheid Amsterdam met nummer PL1300-2026005689 d.d. 9 januari 2026, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] .
Ten aanzien van parketnummer 05-397241-24
De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte d.d. 9 september 2024, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Oost-Nederland met nummer PL0600-2024423539 d.d. 25 september 2024, inhoudende de verklaring van verdachte;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 september 2024, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam] .