Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:821

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/18/250508 / FT RK 25/1324
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot vaststelling dwangakkoord bij schuldsanering

Verzoeker, met een totale schuldenlast van €29.893,18, heeft zijn onderneming gedwongen moeten staken en ontvangt een Participatiewet-uitkering. Met behulp van de Gemeentelijke Kredietbank (GKB) is een schuldregeling aangeboden waarbij concurrente schuldeisers 3,28% en preferente schuldeisers 6,56% van hun vorderingen ontvangen. BridgeFund, schuldeiser en leningverstrekker, weigerde akkoord te gaan en stelde vragen over de voorraden en gereedschappen waarop zij een pandrecht heeft, en twijfelde aan de goede trouw van verzoeker.

De rechtbank oordeelt dat de GKB als bevoegde en onafhankelijke instantie het voorstel zorgvuldig heeft getoetst en dat het aanbod goed onderbouwd is. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat de weigering van BridgeFund onredelijk is, mede omdat verzoeker te goeder trouw was bij het ontstaan van de schulden en de regeling gunstiger is dan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).

BridgeFund had verzocht om verlenging van de aflossingsperiode, maar de rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de gebruikelijke termijn van achttien maanden. Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt toegewezen en het verzoek tot toelating tot de Wsnp wordt als ingetrokken beschouwd.

Uitkomst: Verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt toegewezen en BridgeFund wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/250508 / FT RK 25/1324

vonnis van 22 januari 2026

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen verzoeker,
tegen
BridgeFund B.V., vertegenwoordigd door mr. H.H.M. Meijroos, hierna te noemen BridgeFund.

Procesgang

Op 2 december 2025 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw). Beide verzoeken zijn ingediend door de Gemeentelijke Kredietbank te Groningen (hierna te noemen: GKB).
Mr. H.H.M. Meijroos heeft namens BridgeFund op 7 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 8 januari 2026. Hierbij zijn verschenen verzoeker bijgestaan door de heer [werknemer GKB 1] en mevrouw [werknemer GKB 2] , beiden werkzaam bij de GKB. BridgeFund is opgeroepen maar niet ter zitting verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

De feiten

De rechtbank constateert dat Bridgefund B.V. niet ter zitting is verschenen om op de stellingen van verzoeker te reageren, zodat eventuele stellingen van verzoeker ter zitting ook niet weersproken zijn.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De totale schuldenlast van verzoeker is
€ 29.893,18. Het grootste deel van de schulden is ontstaan uit de onderneming van verzoeker. Verzoeker heeft zijn onderneming gedwongen moeten staken op 21 mei 2024 en ontvangt een Participatiewet-uitkering. Verzoeker maakt vanaf 30 september 2024 gebruik van budgetbeheer door de GKB. Verzoeker heeft met behulp van de GKB op 10 februari 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt - samengevat - in betaling ineens van 3,28 % op de vorderingen van de concurrente schuldeisers en 6,56 % op de vorderingen van de preferente schuldeisers tegen finale kwijting voor het restant. Hiertoe wordt door de GKB een saneringskrediet verstrekt van netto € 1.139,96 te vermeerderen met een vermogen van € 365,15 bestaande uit een opgebouwd spaarsaldo. Door de GKB is ondanks dat er geen afloscapaciteit is conform de Vtlb-berekening een minimale afdracht van 5 % van de bijstandsnorm (€ 67,27 per maand) aangehouden gedurende 18 maanden.

Het verweer

BridgeFund heeft in reactie op het voorstel van de GKB verzocht aan te geven wat er met de voorraden en gereedschappen is gebeurd aangezien zij daar een pandrecht op heeft en waarom verzoeker niet aan het werk gaat. Daarop heeft de GKB aangegeven dat de heer [verzoeker] slechts 2 messen heeft om pvc te snijden aangezien hij met zijn bedrijf alleen maar pvc-vloeren legde en dat hij verder geen noemenswaardig gereedschap in zijn bezit heeft, dat er geen voorraden zijn en dat verzoeker zijn bedrijf heeft moeten beëindigen omdat hij het fysiek niet meer aan kon vanwege chronische jicht.
BridgeFund heeft haar weigering om met het aanbod in te stemmen bij verweerschrift van
7 januari 2026 toegelicht. Verzoeker heeft op 3 oktober 2023 een lening afgesloten bij BridgeFund. De lening is niet binnen de afgesproken 24 maanden terugbetaald en verzoeker staakte zijn onderneming nog geen jaar nadat hij de lening heeft gekregen. Er zou volgens BridgeFund sprake kunnen zijn van het ontbreken van goede trouw bij het niet betalen van schulden en niet duidelijk is of er sprake is van een stabiele financiële situatie. BridgeFund heeft de rechtbank primair verzocht het verzoek af te wijzen en subsidiair de periode van 18 maanden gelet op de leeftijd en de spaarcapaciteit van verzoeker te verlengen naar 60 maanden, of anders naar 36 maanden.

De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

De rechtbank wijst het verzoek om een dwangakkoord op te leggen toe. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing komt.
Beoordelingskader
De rechtbank overweegt dat een verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. De rechtbank moet ten eerste vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank vaststellen dat de weigering van een verweerder om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling onredelijk is. Hierbij moet de rechtbank de belangen van de weigerende schuldeiser(s), de overige schuldeisers en de schuldenaar tegen elkaar afwegen.
Bevoegde instantie
De rechtbank stelt allereerst vast dat het voorstel is ingediend en getoetst door de GKB. De GKB heeft vooral gekeken naar de positie van de schuldeisers wanneer er geen dwangakkoord tot stand zou komen, maar verzoeker zou worden toegelaten tot de Wsnp. De GKB is volgens de rechtbank een onafhankelijke en deskundige partij. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorstel goed en betrouwbaar uitgelegd met documenten en voldoende onderbouwd.
Belangenafweging
Het is belangrijk dat personen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. Uitgangspunt is echter dat een schuldeiser mag weigeren om mee te werken aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling als die schuldenaar maar een deel van de vordering hoeft te betalen. Alleen in bijzondere gevallen kan een schuldeiser daarom gedwongen worden om akkoord te gaan met zo'n aanbod. Het is dan aan de schuldenaar om deze bijzondere feiten en omstandigheden te stellen en, waar nodig, te bewijzen. Het moet duidelijk zijn dat de weigering van de schuldeisers niet redelijk is. Om dit te kunnen beoordelen weegt de rechtbank de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar af.
Ontbreken van goede trouw?
BridgeFund wijst erop dat verzoeker zijn onderneming heeft gestaakt, nog geen jaar nadat hij de lening bij Bridgefund had aangevraagd en verkregen. Volgens BridgeFund is niet duidelijk wat er met het geleende geld is gedaan en is verder onduidelijk hoe de vordering van de Belastingdienst is opgebouwd. Voor zover het verweer van verzoeker moet worden opgevat als een beroep op het ontbreken van goede trouw ten aanzien van het ontstaan van de schulden, overweegt de rechtbank als volgt.
Artikel 287a Faillissementswet laat het aan de rechter over om te bepalen in welke concrete omstandigheden van het geval sprake is van een onredelijke weigering van een schuldeiser om medewerking aan een schuldregeling te verlenen. De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek om een dwangakkoord op te leggen, laten meewegen of verzoeker bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest.
Voor de rechtbank is, gelet op de gemotiveerde betwisting van verzoeker, echter onvoldoende komen vast te staan dat er hier sprake is van het ontbreken van goede trouw. Weliswaar is de schuld aan Bridgefund B.V. relatief kortgeleden ontstaan, maar verzoeker heeft goed kunnen uitleggen waarom hij, binnen een jaar nadat hij de lening had verkregen van BridgeFund, toch genoodzaakt was om zijn onderneming te beëindigen. De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan te nemen dat verzoeker niet te goeder trouw was bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden.
Deze regeling is gunstiger dan de Wsnp
De rechtbank is van oordeel dat, indien verzoeker zou worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, zijn schuldeisers aan het einde van de schuldsaneringsregeling geen hogere uitkering tegemoet kunnen zien dan in het kader van de aangeboden schuldregeling. De spaarcapaciteit gedurende de schuldsaneringsregeling is lager dan de aangeboden akkoordsom. Op basis van de huidige gegevens kan er aan het einde van de schuldsaneringsregeling na aftrek van de bewindvoerderkosten aan de schuldeisers geen uitkering worden gedaan. De rechtbank merkt daarbij op dat de kosten van de wettelijke schuldsaneringsregeling hoger zijn dan de bemiddelingskosten die de GKB in rekening brengt.
Maximaal haalbare?
Het voorstel van verzoeker is naar het oordeel van de rechtbank het maximaal haalbare. Verzoeker ontvangt op dit moment een Participatiewet uitkering. Vanwege zijn fysieke en psychische klachten is er geen uitzicht op inkomen uit betaalde arbeid boven de voor verzoeker geldende norm. De verwachting is dat dit niet verandert binnen de looptijd van de schuldregeling. Ook gelet op het feit dat verzoeker door de Gemeente Groningen is ingedeeld in fase 21 hetgeen inhoudt dat hij niet op korte termijn of misschien wel nooit meer kan werken.
De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval een langere termijn te hanteren dan de gebruikelijke termijn van achttien maanden zoals verzocht door BridgeFund.
Conclusie
Omdat het aanbod van verzoeker goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, voldoende is onderbouwd, en de Wsnp de weigerende schuldeisers geen beter vooruitzicht biedt dan de aangeboden schuldregeling, is de rechtbank van oordeel dat de weigering van BridgeFund om akkoord te gaan, niet redelijk is. Zij heeft namelijk onvoldoende belang bij de weigering van de aangeboden schuldregeling, terwijl verzoeker en de andere schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding daarvan.
Omdat het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, hoeft het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet meer besproken te worden. De rechtbank beschouwt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling als ingetrokken.

BESLISSING

De rechtbank
- beveelt BridgeFund in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen, en in het openbaar uitgesproken op
22 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.