Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Centraal Justitieel Incassobureau, verweerder
Samenvatting
LEE 25/851 gegrond is omdat verweerder in het verweerschrift alsnog gedeeltelijk aan het bezwaar van eiser is tegemoetgekomen door inzage te verlenen in een deel van de eerder gelakte gegevens. Het beroep in de zaak LEE 25/359 is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
19 april 2024 en dat die zaak daarom niet meer op ‘actief’ mag staan. Verder stelt hij dat verweerder geen inzage heeft gegeven in alle stukken. Daarnaast heeft verweerder het lakken van gegevens onvoldoende gemotiveerd.
8.5. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is door eiser ter zitting ingetrokken.
Conclusie en gevolgen
9.1. De beide zaken zijn op zitting behandeld aansluitend aan de behandeling van
-onder andere- de zaak met nummer LEE 24/2502. In die zaak is aan eiser reeds een vergoeding toegekend van de door hem gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Daarmee zijn er thans geen kosten meer die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
- vernietigt het bestreden besluit van 13 februari 2025;
- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;
mr.K. Lenting, griffier.
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Artikel 18De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van Onze Minister binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende justitiële gegevens en, wanneer dat het geval is, om een overzicht van die justitiële gegevens te verkrijgen en om de volgende informatie te verkrijgen:a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;b. de betrokken categorie van de gegevens;c. de vraag of de deze persoon betreffende justitiële gegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;e. het recht te verzoeken om verbetering, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens;f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;g. alle beschikbare informatie over de oorsprong van de verwerking van hem betreffende justitiële gegevens.
[…]
[…]
2. Onverminderd het verder bij wet bepaalde over kennisneming of inzage van tenuitvoerleggingsgegevens heeft de betrokkene het recht om op diens schriftelijke verzoek binnen vier weken van Onze Minister uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende tenuitvoerleggingsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die tenuitvoerleggingsgegevens in te zien en hierover de informatie, bedoeld in artikel 18, onderdelen a tot en met g, te verkrijgen. Onze Minister doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm over de verwerking van de betrokkene betreffende tenuitvoerleggingsgegevens, tenzij hij weigert een mededeling te doen. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats.