ECLI:NL:RBNNE:2026:79

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
LEE 24/3832
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G. Knuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 2.12 WaboArt. 2.27 WaboArt. 6.5 Besluit omgevingsrechtArt. 7 Besluit militaire luchthavens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning verbouw veldschuur tot woning wegens strijd met goede ruimtelijke ordening

Eiser vroeg op 18 oktober 2022 een omgevingsvergunning aan voor de verbouw van een veldschuur tot woning op een perceel achter de lintbebouwing in het buitengebied. De gemeenteraad weigerde op 19 juni 2024 de vereiste verklaring van geen bedenkingen (vvgb) vanwege strijd met het bestemmingsplan en het ruimtelijk beleid, waarna het college op 9 juli 2024 de vergunning weigerde.

De rechtbank toetste het besluit aan het oude Wabo-regime, omdat de aanvraag vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was ingediend. De rechtbank oordeelde dat de gemeenteraad zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De solitaire woning achter de lintbebouwing, de vergroting van het pand en de ruimtelijke impact rechtvaardigen de weigering van de vvgb.

Eiser voerde aan dat het pand eerder als woning werd gebruikt, dat het aanzicht niet verandert en dat afwijkingen van het ruimtelijk beleid mogelijk zijn. De rechtbank vond deze argumenten onvoldoende om de redelijkheid van het gemeentelijke besluit te betwijfelen. Omdat de vvgb terecht werd geweigerd, was het college niet bevoegd de vergunning te verlenen. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning wegens strijd met goede ruimtelijke ordening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3832

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [eiser], eiser

(gemachtigde: mr. W. Sleijfer),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden

(gemachtigden: mr. J.J. Hengst en K. Bosscha).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor de verbouw van een schuur tot woning aan de [adres] in [plaats]. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de gemeenteraad zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het beoogde bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De gemeenteraad mocht de verklaring van geen bedenkingen (vvgb) daarom weigeren. Dit betekent ook dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 oktober 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de verbouw van een pand aan de [adres] in [plaats] tot woning. Het gaat om een aanvraag voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening.
2.1.
De gemeenteraad heeft op 19 juni 2024 besloten de benodigde vvgb te weigeren. Het college heeft daarom de aanvraag op 9 juli 2024 geweigerd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.A. Jansen met [naam schoonzoon] namens eiser, en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het toetsingskader?
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een vergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet in dit geval de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.
3.1.
Eiser heeft een aanvraag om omgevingsvergunning gedaan om een pand te verbouwen tot woning. Het pand staat op een perceel achter de lintbebouwing aan de [straatnaam]. Het perceel waarop het pand staat ligt in het bestemmingsplan 'Bûtengebiet en doarpen' en heeft de enkelbestemming 'Agrarisch' (artikel 3) met daarbij de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch -veldschuur'. Ook geldt voor het perceel de gebiedsaanduiding 'geluidzone -luchtvaart 45-50 Ke' in verband met de dichtbij gelegen vliegbasis Leeuwarden (artikel 38.4 van het bestemmingsplan).
Het verbouwen van het pand naar de door eiser gewenste woning past niet binnen de geldende voorschriften van het bestemmingsplan. Het bouwplan voldoet niet aan de bepalingen van het bestemmingsplan omdat wonen op deze locatie niet toegestaan is, omdat gebouwd wordt buiten een bouwvlak en omdat de maatvoering van het gebouw niet voldoet aan de eisen.
3.2.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de Wabo kan een omgevingsvergunning voor een activiteit in strijd met het bestemmingsplan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Die omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemming kan alleen worden verleend nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft (de zogenoemde vvgb). [1] De vvgb kan alleen worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
Mocht het college de vergunning weigeren?
4. Het college heeft in het bestreden besluit de vergunning geweigerd omdat de gemeenteraad geen vvgb heeft verleend. De gemeenteraad heeft de vvgb geweigerd omdat - samengevat - bebouwing in de tweede lijn stedenbouwkundig niet wenselijk is, omdat de provinciale Verordening Romte Fryslân nieuwe stedelijke functies in het buitengebied verbiedt en omdat gelet op de geluidszone van de luchthaven een goed woon- en leefklimaat niet is gewaarborgd.
5. Eiser voert aan dat de weigering om de vvgb te verlenen ondeugdelijk is gemotiveerd. Volgens eiser is er geen rekening mee gehouden dat het gaat om een bestaand pand wat voorheen ook gebruikt is als woning. Het aanzicht zal dan ook niet wijzigen. Er is ook geen landelijke rechtspraktijk waaruit volgt dat bebouwing in de tweede lijn onwenselijk is.
Verder voert eiser aan dat niet is onderkend dat van de Verordening Romte kan worden afgeweken als het gaat om aanwezige karakteristieke gebouwen of aangesloten wordt op bestaande bebouwing. En het gaat bovendien slechts om één woning. Ook voert eiser aan dat op grond van artikel 7 van Pro het Besluit militaire luchthavens kan worden afgeweken van de 35 Ke-norm tot 65 Ke omdat de buurtschap waar de woning in staat moet worden aangemerkt als bebouwde kom.
Tenslotte voert eiser aan dat niet onderbouwd is dat het bouwplan in strijd zou zijn met de Bouwverordening en het Bouwbesluit en dat de vergunning ten onrechte op deze grond is geweigerd.
6. De rechtbank stelt voorop dat de gemeenteraad het orgaan binnen de gemeente is dat bestemmingsplannen vaststelt en daarmee zeggenschap heeft over het ruimtelijk beleid van een gemeente. Het is dan ook de gemeenteraad die door middel van het wel of niet afgeven van een vvgb mag bepalen of hij wel of niet wil meewerken aan een afwijking van het bestemmingplan bij omgevingsvergunningen die verleend worden op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo. De gemeenteraad heeft bij het wel of niet verlenen van een vvgb beoordelingsruimte. Het college is niet bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen als de gemeenteraad geen vvgb verleend.
De rechtmatigheid van de vvgb kan aan de orde worden gesteld bij het instellen van beroep tegen het op basis van die vvgb genomen besluit over de omgevingsvergunning. De beslissing van de gemeenteraad om de vereiste vvgb te weigeren kan door de rechter slechts terughoudend worden getoetst, dat wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of de gemeenteraad in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. [2]
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kon de gemeenteraad zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat het aangevraagde bouwproject in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook is de rechtbank van oordeel dat de weigering in het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.
6.1.1.
De gemeenteraad mocht bij zijn afweging betrekken dat volgens hem wonen in de tweede lijn in algemene zin ruimtelijk ongewenst is en niet wordt toegestaan omdat daarmee een wildgroei aan woningen op ongewenste locaties kan ontstaan. De rechtbank acht dit beleid begrijpelijk en redelijk.
6.1.2.
In reactie op de zienswijze van eisers heeft de gemeenteraad zich op het standpunt gesteld dat de veldschuur weliswaar al aanwezig is in de tweede lijn, maar dat de stedenbouwkundige beoordeling niet alleen betrekking heeft op de bouwmassa. De veldschuur is niet georiënteerd op de openbare ruimte en ligt verscholen achter de aanwezige woningen. De gemeenteraad vreest dat het toestaan van een solitaire woning achter de bestaande lintbebouwing leidt tot ruimtelijke verrommeling. In het verweerschrift is dit standpunt nader toegelicht. Een gebruik van een pand als woning heeft een andere impact op de omgeving en leidt tot intensivering van het gebruik van het perceel. Bovendien wil eiser het bestaande pand vergroten.
6.1.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te twijfelen aan de afwegingen die de raad heeft gemaakt. Dat het pand in het verleden volgens eiser als woning is gebruikt en er ook al decennia een ontsluiting is heeft de gemeenteraad niet doorslaggevend hoeven achten. Dit omdat het pand in het huidige en voorgaande bestemmingsplan in ieder geval geen woonbestemming had en de ontsluiting ook gebruikt kan worden voor het toegestane gebruik als veldschuur.
6.2.
Gelet op het voorgaande mocht de gemeenteraad de vvgb alleen hierom al weigeren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in te gaan op de overige gronden van eiser over het weigeren van de vvgb; de argumenten over de Verordening Romte en het Besluit militaire luchthavens. Een beoordeling van die argumenten kan niet tot het oordeel leiden dat de gevraagde vvgb ten onrechte geweigerd is.
6.3.
Omdat de vvgb terecht is geweigerd, heeft ook het college de aanvraag om een omgevingsvergunning terecht geweigerd, gelet op artikel 2.27 van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht,.
6.4.
Omdat het college niet bevoegd was de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen vanwege het ontbreken van een vvgb, heeft het college ook niet hoeven beoordelen of het aangevraagde plan voldeed aan het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in te gaan op eisers grond over het ontbreken van de motivering op dit punt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. G. Steenbergen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 2.27 van de Wabo, in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht.
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3003.