ECLI:NL:RBNNE:2026:778

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
LEE 25/289
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:11 AwbArt. 5.34 APVArt. 5.11 APVArt. 5 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing handhavingsverzoek kamperen en kampvuur op camping

Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Westerveld handhavend op te treden tegen kamperen buiten de bestemming recreatie, het stoken van open vuur en parkeeroverlast op een camping. Het college wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het college het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Zo is onvoldoende onderzocht of daadwerkelijk buiten de bestemmingsgrenzen werd gekampeerd, mede omdat de toezichthouder uitging van de verkeerde grens en onvoldoende controleerde. Ook is niet adequaat onderzocht of er afvalhout werd gestookt en wat de effecten daarvan waren. Ten aanzien van de parkeeroverlast kan het college niet handhaven omdat er geen parkeerverbod geldt.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om tijdens het kampeerseizoen zorgvuldig onderzoek te doen naar de overtredingen en de effecten daarvan, en vervolgens een nieuw besluit te nemen. Tevens moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding en het college moet een nieuw besluit nemen na zorgvuldig onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/289

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[naam 1 uit woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld

(gemachtigde: mr. T. van der Meer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. Eiser heeft het college gevraagd om handhavend op te treden tegen kamperen over de grens van de bestemming natuur, het stoken van open vuur en overlast van parkeren in de openbare ruimte op camping [camping] (camping). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn handhavingsverzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit op bezwaar onzorgvuldig is voorbereid en dat het om die reden niet in stand kan blijven. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen. Wat is de omvang van het geding? Heeft het college in strijd met het advies van de bezwaarschriftencommissie besloten? Was er sprake van kamperen over de grens van de bestemming ‘natuur’?
Leidt het stoken van hout tot overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) of het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)? Kon het college handhaven vanwege parkeren op de openbare weg? Aan het eind van deze uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. In de bijlage staan de relevante wettelijke bepalingen.

Procesverloop

2. Eiser heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de camping. Het gaat om kamperen over de grens van de bestemming natuur, het stoken van open vuur en overlast van parkeren in de openbare ruimte. Het college heeft het verzoek met het besluit van 1 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft de camping bij brief van 16 april 2025 in de gelegenheid gesteld om als partij deel te nemen aan deze beroepsprocedure. De rechtbank heeft geen reactie van de camping ontvangen.
2.3.
Het college heeft op 1 april 2025 een verweerschrift ingediend en op 4 februari 2026 een aanvullend verweerschrift. Het aanvullende verweerschrift is zowel via e-mail als gewone post ingediend. De versie via gewone post bevat drie extra foto’s en een beoordelingsformulier dat niet via e-mail is toegestuurd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en eiser, bijgestaan door ir. [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Wat is de omvang van het geding?
3. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn handhavingsverzoek van 12 april 2024 het college heeft verzocht om handhavend op te treden tegen kamperen over de grens van de bestemming natuur, het stoken van open vuur en overlast van parkeren in de openbare ruimte. In zijn bezwaar- en beroepschrift heeft eiser zijn handhavingsverzoek uitgebreid met een aantal andere onderwerpen. Volgens vaste rechtspraak is het aanvullen van een handhavingsverzoek echter mogelijk tot het moment dat het college daarover een primair besluit heeft genomen. [1] Tijdens de bezwaar- of beroepsprocedure is aanvulling niet toegestaan. De aanvullende onderwerpen vallen daarom naar het oordeel van de rechtbank buiten de omvang van dit geding.
Heeft het college in strijd met het advies van de bezwaarschriftencommissie besloten?
4. Eiser voert aan, zo begrijpt de rechtbank, dat het college weliswaar stelt het advies van de bezwaarschriftencommissie te volgen om het bezwaar gegrond te verklaren, maar het college doet dat feitelijk niet. Het college besluit in bezwaar op basis van andere uitgangspunten namelijk dat de handhavingspunten ongegrond zijn.
4.1.
De rechtbank overweegt dat het college op grond van artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht is om het in bezwaar bestreden besluit te heroverwegen. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, moet het college het bestreden besluit herroepen en een nieuw besluit nemen. Daarbij moet het college de feiten en omstandigheden betrekken zoals die zich voordoen ten tijde van het besluit op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college aan deze procedurele verplichting voldaan. De rechtbank zal hierna bespreken of het college daarbij zorgvuldig heeft gehandeld en of het een inhoudelijk correct vervangend besluit heeft genomen.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was er sprake van kamperen over de grens van de bestemming ‘natuur’?
5. Eiser voert aan dat de grenzen van het plangebied dat is bestemd voor recreatie op tientallen plaatsen worden overschreden, waardoor er wordt gekampeerd in het gebied met de bestemming ‘natuur’. Hij stelt dat het college gebrekkig controleert, waarbij wordt uitgegaan van de verkeerde locatie van de grens tussen de bestemmingen ‘recreatie’ en ‘natuur’. In een eerdere procedure heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bepaald dat de kadastrale grens en de grens tussen de bestemmingen aan de zuidoostzijde van de camping niet gelijk zijn, maar 3,5 meter van elkaar verwijderd liggen. In het bestreden besluit heeft het college ten onrechte overwogen dat er geen sprake (meer) is van overtredingen.
5.1.
Het college stelt zich in het eerste verweerschrift op het standpunt dat er ten tijde van het bestreden besluit geen grond meer was om te handhaven ten aanzien van het kamperen buiten de grenzen. De tent en de keet waren verwijderd. [2] Het college wijst erop dat het aan de campinghouder nogmaals de recreatiegrenzen heeft aangegeven om herhaling te voorkomen.
In het aanvullende verweerschrift van 4 februari 2026 stelt het college dat het eiser (impliciet) alleen als belanghebbende heeft aangemerkt voor het perceel [perceel 1] voor zover het om de oostelijk gelegen grens gaat. Voor zover het gaat om de andere kadastrale percelen van de camping is eiser geen belanghebbende. Op de andere percelen zijn tijdens een controle op 20 januari 2026 wel overtredingen geconstateerd, maar het perceel van eiser grenst niet aan die percelen. Daartussen ligt namelijk nog het perceel [perceel 2] , waar geen overtredingen zijn geconstateerd. Het college verwijst naar vaste rechtspraak waaruit blijkt dat alleen eigenaren van aangrenzende percelen als direct belanghebbende worden aangemerkt. Daarnaast ondervindt eiser volgens het college geen feitelijke gevolgen van enige betekenis van overtredingen op de genoemde percelen, doordat de afstand tussen de percelen en zijn woonperceel tussen de 201,7 en 354,7 meter bedraagt en twee bospercelen beslaat.
5.2.
De rechtbank geeft eiser gelijk en overweegt als volgt.
5.2.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser belanghebbende is bij overtredingen op de verschillende kadastrale percelen waaruit de camping bestaat. De rechtbank acht niet uitgesloten dat eiser feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt als gevolg van het overschrijden van de grens van de bestemming ‘natuur’ op andere percelen dan het perceel dat aan zijn eigendom grenst. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de in zijn ogen talrijke overschrijdingen (het plaatsen van kampeermiddelen over de grens van de bestemming natuur) tot gevolg hebben dat er meer ruimte beschikbaar is op het deel van het campingterrein dat de bestemming recreatie heeft gekregen. Daardoor kan dat terrein volgens eiser intensiever worden gebruikt, wat leidt tot meer overlast van de gasten van de camping door bijvoorbeeld parkeren, geluid en het gebruik van het bos dat grenst aan het perceel van eiser. De rechtbank stelt vast dat het college deze mogelijke gevolgen niet heeft onderzocht. Het college zal dat alsnog moeten doen voordat het opnieuw een besluit neemt op het bezwaar van eiser. De bevindingen van dat onderzoek zal het college moeten vastleggen en gemotiveerd moeten betrekken bij zijn beoordeling van het belang van eiser bij overtredingen op percelen die niet aan zijn eigendom grenzen.
5.2.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat niet de kadastrale grens bepalend is voor de beoordeling van het (il)legale gebruik van de percelen, maar de grens van de bestemming zoals vastgelegd op de plankaart van het bestemmingsplan Buitengebied. De Afdeling heeft ook bepaald dat het college de plangrenzen moet aanhouden. [3] 5.2.3. Uit het controlerapport van 1 mei 2024, dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, blijkt dat de toezichthouder ervan uit is gegaan dat buiten de bestemming recreatie alleen een kleine tent stond. De toezichthouder merkt daarbij op dat voor wat betreft de constateringen van dat moment niet met zekerheid was vast te stellen of er wel of niet buiten de grens werd gekampeerd. Daarvoor waren er te weinig duidelijke herkenningspunten in het veld. Er werd in elk geval niet voorbij de bosrand gekampeerd, volgens de toezichthouder. Aangezien de bosrand op het zuidoostelijke stuk niet gelijk is aan de grens van de bestemming, kan daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat er geen sprake was van een overtreding. De toezichthouder heeft toen niet onderzocht waar de grens van de bestemming recreatie ligt en niet bepaald of die grens werd overschreden. Daardoor is het primaire besluit onzorgvuldig voorbereid. Die onzorgvuldige voorbereiding werkt door in het bestreden besluit. In dat besluit is namelijk geconstateerd dat de tent weg was en daarom is er aangenomen dat er geen overtreding meer was. Hoewel het college zich in bezwaar realiseerde waar de grens van de bestemming lag, heeft het niet alsnog onderzocht of er sprake was van overschrijding daarvan op andere plekken dan de inmiddels verwijderde tent. Zoals het college ter zitting heeft erkend, is niet meer vast te stellen of er ten tijde van het bestreden besluit sprake was van overtredingen. Omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en dit gebrek niet kan worden hersteld, kan het besluit niet in stand blijven. Ook dit heeft het college tijdens de zitting erkend.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt.
Leidt het stoken van hout tot overtreding van de APV of het Bal?
6. Eiser voert verder aan dat er gedurende het hele seizoen kampvuren worden gestookt. Hierbij wordt snoeihout of ander hout uit de natuur, en dus afval, gebruikt. De kampvuren geven rook, stank, hinder en zorgen voor gevaar. Het college bestrijdt deze gevolgen volgens eiser niet, maar weigert ten onrechte te handhaven.
6.1.
Volgens het college zijn op grond van artikel 5.34 van de APV een kampvuur, terrashaard of vuurkorf toegestaan, als er geen afvalstoffen worden verbrand en als er geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving is. De toezichthouder heeft niet waargenomen dat er hout werd gestookt, maar de campinghouder heeft aangegeven dat er kampvuren worden gestookt. De toezichthouder heeft op basis van een verklaring van de camping aangenomen dat er alleen stookhout wordt verbrand. Het houden van een kampvuur is daarom toegestaan volgens het college.
Het college stelt verder dat is geconstateerd dat de afstand van de stookplaatsen van de camping tot het hart van de woning van eiser ongeveer 142 meter of meer bedraagt. Gezien deze afstand is het objectief gezien niet aannemelijk dat sprake is van hinder. Wel kan eiser subjectief hinder of overlast ervaren. Dit is voor het college echter geen aanleiding om op grond van artikel 5.34 APV handhavend op te treden.
Omdat er geen bedrijfsafval of gevaarlijke stoffen worden verbrand, is het Bal volgens het college niet van toepassing.
6.2.
De rechtbank geeft eiser gelijk en overweegt het volgende.
6.2.1.
De rechtbank stelt vast dat het niet verboden is om op de camping sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven te stoken, voor zover daarbij geen afvalstoffen worden verbrand en er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Dit volgt uit artikel 5.34, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder b, van de APV. Voor het verbranden van bedrijfsafval geldt op grond van paragraaf 3.2.15 van het Bal een vergunningplicht, zowel in een sfeerhaard als anderszins. Het is daarom van belang om te weten of er op de camping afvalhout wordt gestookt of alleen hout dat niet als afvalstof moet worden aangemerkt, om te kunnen beoordelen of er sprake is van een overtreding waartegen het college handhavend kan optreden.
6.2.2.
De rechtbank stelt vast, zoals het college ter zitting ook heeft erkend, dat het college niet zorgvuldig heeft onderzocht wat voor hout er werd gestookt. De toezichthouder heeft hier slechts naar gevraagd en heeft het antwoord van de camping voor kennisgeving aangenomen. Ook de nadere controle die het college op 20 januari 2026 heeft uitgevoerd, heeft niet geleid tot onderzoek naar het stoken van afvalhout, terwijl in het controlerapport een foto is opgenomen van een pizzaoven waarin hout ligt dat niet is bedoeld als stookhout. Ook vanwege het voorgaande is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig voorbereid en kan het niet in stand blijven.
6.2.3.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat het college, uitgaand van het gebruik van stookhout, ook niet heeft onderzocht wat de daadwerkelijke effecten zijn van de vuren die op de camping werden gestookt. De toezichthouder heeft in zijn rapportage slechts opgenomen dat er geen vuren zijn waargenomen en dat stoken is toegestaan tenzij er een stookverbod geldt vanwege brandgevaar. Het college heeft vervolgens zelf op basis van de afstand tot de woning van eiser geconcludeerd dat er geen sprake kon zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, als bedoeld in artikel 5.34, tweede lid, onder b, van de APV. Ter zitting heeft het college niet kunnen duiden waarop die conclusie is gebaseerd. Ook dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en dat het niet in stand kan blijven. Het college heeft dit ter zitting erkend.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt.
Kon het college handhaven vanwege parkeren op de openbare weg?
7. Eiser voert tot slot aan dat bezoekers van de camping parkeren in de openbare ruimte. Zij parkeren hun auto’s op het fietspad en de voor ruiters geschikt gemaakte strook van de rijbaan. Daardoor ontstaan gevaarlijke verkeerssituaties. Fietsers en ruiters kunnen op sommige plekken geen gebruik maken van de voor hen bestemde paden en auto’s kunnen nauwelijks de geparkeerde auto’s passeren. De dagen waarop het college heeft gecontroleerd lijken selectief gekozen en geven geen representatief beeld van de situatie. Het college en de camping zullen maatregelen moeten nemen om gevaarzettende situaties te voorkomen. Eiser stelt verder voor dat het college op grond van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 gaat handhaven.
7.1.
Het college voert aan dat er geen parkeerverboden gelden aan de [adres] , zodat een parkeerovertreding niet snel kan worden geconstateerd. Auto’s mogen worden geparkeerd langs de weg en in de berm. Er is gecontroleerd op 1, 24 en 25 mei, 10 juli, 10 en 17 augustus en 25 september 2024. Op deze data is een toezichthouder ter plaatse geweest, die geen parkeeroverlast heeft geconstateerd. Daarom is het handhavingsverzoek op dit onderdeel ook in het bestreden besluit afgewezen. In het aanvullende verweerschrift is nog opgemerkt dat er geen rapport van de controles is opgesteld omdat er geen overtredingen zijn om over te rapporteren. Ter zitting heeft het college aangeboden om te onderzoeken of er een parkeerverbod kan worden ingesteld.
7.2.
De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt als volgt.
7.2.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat er ter plaatse van de weg waar eiser parkeeroverlast ervaart ( [adres] ) geen parkeerverbod geldt. Het college kan daarom niet handhavend optreden wegens overtreding van artikel 5.11 van de APV. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn suggestie dat het college handhavend optreedt op basis van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, omdat daartoe niet het college bevoegd is, maar het Openbaar Ministerie.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb onzorgvuldig is voorbereid. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het handhavingsverzoek te nemen. Het college zal namelijk alsnog zorgvuldig onderzoek moeten doen naar verschillende gestelde overtredingen. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Het onderzoek dat nodig is om het gebrek te herstellen zal namelijk tijdens het kampeerseizoen moeten worden verricht.
8.1.
De rechtbank bepaalt dat het college tijdens het kampeerseizoen, waaronder in ieder geval ook tijdens de meivakantie voor basisscholen, zorgvuldige controles moet uitvoeren naar de mogelijke overschrijding van de grenzen van de bestemming natuur. Het college zal ook moeten onderzoeken wat de feitelijke effecten van geconstateerde overschrijdingen zijn op de intensiteit van het gebruik van de camping en wat de gevolgen daarvan zijn voor eiser. Het college zal daarnaast onderzoek moeten verrichten naar het stoken van hout op de camping. Daarbij moet het onderzoeken of er sprake is van het stoken van afvalstoffen. De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak over de wijze waarop moet worden bepaald of er sprake is van afvalstoffen. [4] Tot slot zal het college zorgvuldig moeten onderzoeken welke feitelijke effecten eiser ondervindt van het stoken van vuur op de camping. Dit zou het college bijvoorbeeld kunnen doen door een controle uit te voeren wanneer eiser overlast meldt, maar ook door op een dag die met eiser is afgestemd een proefvuur te stoken, zodat de effecten kunnen worden waargenomen.
9. Ter zitting heeft de gemeente aangeboden om gebruik te maken van een mediator uit de mediatorspool van de gemeente. De rechtbank geeft partijen in overweging om samen met de camping in gesprek te gaan om een duurzame oplossing voor het geschil te bespreken.
10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn tot 1 juli 2026.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 december 2024;
- draagt het college op voor 1 juli 2026 een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van mr. T.C.A. Hofman-Aupers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:11
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Besluit activiteiten leefomgeving
§ 3.2.15. Verbranden van afvalstoffen anders dan in een ippc-installatie
Artikel 3.40d. (aanwijzing milieubelastende activiteiten)
1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen:
a. in een andere milieubelastende installatie; of
b. buiten een installatie.
2. Onder de aanwijzing vallen niet:
a. het verbranden van afvalstoffen in een ippc-installatie, bedoeld in paragraaf 3.3.13;
b. het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en
c. het verbranden van dierlijke meststoffen.
Artikel 3.40e. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40d.
2. Het verbod geldt niet als het verbranden van afvalstoffen alleen bestaat uit het verbranden van rie-biomassa in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van niet meer dan 15 MW, voor zover het recyclen van rie-biomassa niet de voorkeur heeft boven verbranden en de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.
3. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, geldt voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater afkomstig van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in het eerste lid, tenzij die activiteiten alleen bestaan uit de activiteit, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 3.40f. (algemene regels)
1. Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.40d, en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij wordt verricht, wordt voldaan aan de regels over:
a. een grote stookinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.3, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstoffen worden verbrand dan rie-biomassa;
b. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in paragraaf 4.4;
c. een kleine of middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.126, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstof wordt verbrand dan rie-biomassa;
d. een middelgrote stookinstallatie voor niet-standaard brandstoffen, bedoeld in paragraaf 4.127, als het verbranden gebeurt in een stookinstallatie en geen andere afvalstof wordt verbrand dan rie-biomassa; en
e. het ontvangen van afvalstoffen, bedoeld in paragraaf 4.50, als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in dit hoofdstuk.
2. Ook wordt voldaan aan de regels over:
a. zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in paragraaf 5.4.3, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.40e, eerste of derde lid; en
b. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4.
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder:
(…)
b.wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
Algemene Plaatselijke Verordening – Gemeente Westerveld
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
(…)
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
(…)
Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.
2. Dit verbod is niet van toepassing op:
a. de weg;
b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;
c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:
a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;
c. vuur voor koken, bakken en braden.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale omgevingsverordening Drenthe.
6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1998.
2.De rechtbank begrijpt dat het gaat om de tent en de keet die volgens het controlerapport van 1 mei 2024 (mogelijk) buiten de recreatiegrens en op agrarische grond staan.
3.Uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:236.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10818 en de daarin genoemde rechtspraak van de Afdeling en het Hof van Justitie van de Europese Unie.