Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:757

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
24/2725
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 22 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde moestuin in gemeente De Fryske Marren

Eiser is eigenaar van een moestuin van 109 m² nabij zijn woning in de gemeente De Fryske Marren. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2023 vast op €2.000 voor het belastingjaar 2024. Eiser maakte bezwaar tegen deze waarde, stellende dat de waarde te hoog is vastgesteld vanwege een waardedrukkende heg en de agrarische aard van de grond.

De rechtbank beoordeelde het beroep en oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De waardering is gebaseerd op vergelijkbare volkstuinpercelen in de gemeente en een eerdere verkoop uit 2010, wat de vastgestelde waarde ondersteunt.

Eiser kon de waardedruk door de heg niet aannemelijk maken en evenmin dat het perceel agrarische grond betreft die tot een lagere waarde zou leiden. Ook het standpunt dat de heffingsambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld, werd verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de WOZ-beschikking in stand blijft. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van de moestuin wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €2.000 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2725
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente De Fryske Marren, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 mei 2024.
1.1.
Bij besluit van 31 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] , kadastraal perceel [kadastreel perceel] (de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2023, vastgesteld voor het belastingjaar 2024 op € 2.000.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiser heeft voor de zitting een nader stuk ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn echtgenote en namens de heffingsambtenaar: [naam] .

Feiten

2. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een moestuin van 109 m², gelegen in de nabijheid van de woning van eiser.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [1]
6. De heffingsambtenaar moet, in het licht van wat eiser heeft aangevoerd, aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de heffingsambtenaar heeft verwezen naar de waardering van een zestal volks- en moestuinen in de gemeente De Fryske Marren. De rechtbank acht deze wijze, bij gebrek aan verkopen van vergelijkbare onroerende zaken, voldoende voor de onderbouwing van de waarde, waarbij de enige verkoop van een moestuin in 2010 in Idskenhuizen bevestigt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is.
7. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de waarde te hoog is vastgesteld aangevoerd dat een nabijgelegen heg waardedrukkend is en de onroerende zaak een agrarische waarde heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiser, op wie op dit punt de bewijslast rust, de waardedruk vanwege de heg niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft, naar het oordeel van de rechtbank, evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van agrarische grond die tot een lagere (agrarische) waarde of een vrijstelling zou kunnen leiden.
8. Eiser heeft tevens gesteld dat de heffingsambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt feitelijke grondslag mist. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het voor partijen (en de rechtbank) duidelijk is welke onroerende zaak het betreft. Voor het overige is, naar het oordeel van de rechtbank, geen sprake van onzorgvuldig handelen Mogelijk is er wel sprake van miscommunicatie, maar voor zover die al aan de heffingsambtenaar is te wijten, leidt dat niet tot de conclusie dat de heffingsambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld. Ook zal deze mogelijke miscommunicatie niet met zich meebrengen dat geconcludeerd kan worden dat de heffingsambtenaar niet in zijn bewijslast is geslaagd. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de heffingsambtenaar met zijn verweerschrift en de daarbij behorende taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is.
9. De rechtbank overweegt ten slotte dat alle door eiser naar voren gebrachte vermeende fouten en foutjes van de heffingsambtenaar en/of de gemeente De Fryske Marren uit het heden en het (verre) verleden, geen betrekking hebben op deze WOZ-beschikking voor 2024 en de bijhorende bezwaar- en beroepsprocedure, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-beschikking in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 26 februari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.