ECLI:NL:RBNNE:2026:747

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
LEE 24/2489
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.23 BprWaterwetBinnenvaartpolitiereglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering toestemming takelen boten in Prinses Margrietkanaal wegens vaarwegveiligheid

Eiser, exploitant van een watersportbedrijf aan het Prinses Margrietkanaal, startte zonder vergunning werkzaamheden aan een damwand en vroeg later een watervergunning aan, die werd verleend. De minister weigerde echter toestemming voor het in- en uittakelen van boten op grond van het Binnenvaartpolitiereglement (Bpr), omdat dit de veiligheid en het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar zou brengen.

Eiser stelde dat de minister onzorgvuldig had gehandeld door pas na de aanleg van de kade en na verlening van de watervergunning de toestemming te weigeren, en dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met zijn belangen. De rechtbank oordeelde dat eiser vooraf was geïnformeerd over de onmogelijkheid van takelactiviteiten en dat de minister terecht de veiligheid van de vaarweg als zwaarwegend belang had meegewogen.

De rechtbank stelde vast dat het perceel van eiser in een bocht ligt waar het kanaal smaller is dan elders, waardoor takelactiviteiten de vaarweg kunnen belemmeren. Vergelijkingen met de damwand van de buurman en aangemeerde binnenvaartschepen werden door de rechtbank niet aanvaard als gelijkwaardig.

Voorts concludeerde de rechtbank dat het verbinden van voorschriften aan een toestemming onvoldoende bescherming zou bieden voor de scheepvaart en dat de weigering niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, waardoor de weigering van toestemming in stand blijft.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van toestemming voor het takelen van boten vanwege vaarwegveiligheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2489

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [bedrijf], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. C. Lubben),
en

De minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister

(gemachtigden: mr. M.G. Oosterkamp, M.R. Buursma en L. Klabbers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering om aan eiser toestemming te verlenen voor het takelen van boten in en uit het Prinses Margrietkanaal (het kanaal) ter hoogte van het perceel [perceel] (het perceel). Eiser is het niet eens met die weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de toestemming redelijkerwijs mocht weigeren
.Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft toestemming gevraagd voor het takelen van boten in en uit het kanaal ter hoogte van het perceel. De minister heeft de toestemming met het besluit van 31 oktober 2023 geweigerd. Met het bestreden besluit van 8 april 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij die weigering gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Na de zitting heeft eiser enkele foto’s ingediend, zoals afgesproken op de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Wat zijn de relevante feiten en omstandigheden van deze zaak?
3. Eiser huurt het perceel en drijft daar een watersportbedrijf.
4. Het perceel ligt aan het kanaal. Het kanaal maakt onderdeel uit van de Hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl (de hoofdvaarweg). De hoofdvaarweg ontsluit de provincies Groningen en Fryslân voor de binnenvaart en verbindt Noord-Duitsland met de havens van Amsterdam en Rotterdam. Op het kanaal geldt een ligplaatsverbod.
5. Op 6 februari 2023 is eiser begonnen met werkzaamheden om de bestaande damwand op het perceel langs het kanaal te verstevigen. Een handhaver heeft eiser erop gewezen dat voor deze werkzaamheden een vergunning is vereist.
6. Op 12 mei 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor het verlenen van een vergunning op grond van de Waterwet (Wtw) voor het verstevigen van de damwand.
Op 30 augustus 2023 heeft de minister die vergunning verleend.
7. Op 30 augustus 2023 heeft de minister eiser meegedeeld dat voor het in- en uittakelen van boten op grond van het Binnenvaartpolitiereglement (Bpr) toestemming vereist is en dat de aanvraag van 12 mei 2023 mede als een aanvraag voor die toestemming wordt behandeld.
8. In het primaire besluit van 31 oktober 2023 heeft de minister de toestemming op grond van het Bpr geweigerd. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Heeft de minister onzorgvuldig tegenover eiser gehandeld?

9. Eiser voert aan dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat de minister pas na de aanleg van de kade en na het verlenen van de watervergunning, de toestemming voor het in- en uittakelen van boten heeft geweigerd. De minister wist dat eiser de kade voor zijn takelactiviteiten wilde gebruiken, maar heeft in de procedure over de watervergunning niet gezegd dat de toestemming niet zou worden verleend. Hierdoor heeft eiser allerlei kosten voor niets gemaakt.
9.1.
De minister stelt dat eiser al vóór de werkzaamheden aan zijn damwand en vóór de aanvraag van een watervergunning is geïnformeerd over de onmogelijkheid om bij zijn perceel boten in en uit het water te takelen.
9.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. In een e-mail van 23 november 2022 van een adviseur vergunningverlening van Rijkswaterstaat aan eiser, over de door eiser beoogde damwand, staat:

Bovendien zou Rijkswaterstaat voor die plek geen ontheffing om ligplaats te mogen nemen afgeven. Dan zou u nog steeds niet kort kunnen afmeren en boten in en uit het water kunnen tillen t.b.v. uw bedrijfsactiviteit.’
Hieruit volgt dat eiser vóór zijn werkzaamheden aan de damwand en vóór de aanvraag van de watervergunning is geïnformeerd over de onmogelijkheid om zijn takelactiviteiten uit te voeren. Daar komt bij dat eiser zonder vergunning is gestart met de werkzaamheden aan zijn damwand en na een bezoek van een handhaver een watervergunning heeft aangevraagd en gekregen. Hieruit mocht eiser niet afleiden dat aan hem ook toestemming zou worden verleend voor het in- en uittakelen van boten uit het water. Dat eiser kosten heeft gemaakt kan de minister daarom niet worden aangerekend. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister de toestemming weigeren vanwege de veiligheid van de vaarweg?
10. Eiser betoogt dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest. De minister verschuilt zich achter algemene voorschriften over onveiligheid van de vaarweg, maar heeft de situatie ter plaatse niet bekeken. De veiligheid van de vaarweg is volgens eiser niet in het geding, omdat de boten voor en na het takelen niet in de vaarweg blijven liggen. Bovendien varen binnenvaartschepen niet dicht langs de kant, omdat het water daar niet diep genoeg is. Daarbij komt dat eisers buurman een damwand heeft die anderhalve meter boven het water uitsteekt en drie tot vier meter het kanaal insteekt. Als het takelen van boten van maximaal vier meter breed door eiser gevaarlijk is, moet de minister ook tegen die damwand optreden. Tot slot heeft een binnenvaartschip meer dan een week aangemeerd gelegen aan een ander binnenvaartschip waardoor die zeker vier meter het kanaal in stak zonder dat er problemen voor de scheepvaart ontstonden.
10.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat het in en uit het water takelen van boten ter hoogte van eisers perceel de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in het kanaal in gevaar kan brengen. Er is namelijk sprake van een beperkte breedte van de vaarweg. De afmeting van de vaarweg ter hoogte van het perceel is zes meter smaller dan dat de breedte op grond van de ontwerprichtlijnen voor de hoofdvaarweg zou moeten zijn. Vanwege de beperkte breedte van de vaarweg gelden daar verschillende maatregelen, zoals het ligplaatsverbod. Volgens de minister maken die beperkte breedte en het ligplaatsverbod het niet mogelijk om ter hoogte van het perceel boten af te meren en die uit en in het water te takelen. Op het moment dat een boot in en uit het water wordt getakeld, gebeurt dit binnen het profiel van de vaarweg en neemt de boot tijdelijk ligplaats in op een deel van de vaarweg dat nodig is voor de doorgaande scheepvaart. Dit kan de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar brengen, bijvoorbeeld als schepen elkaar passeren.
Hoewel binnenvaartschepen niet vlak langs de kant varen, brengen die schepen volgens de minister wel golfslag met zich en hebben die een zuigende werking op eventueel aan de kant liggende vaartuigen. Bij smal vaarwater is het effect van de zuiging extra sterk.
Verder acht de minister de situatie van eisers buurman niet vergelijkbaar met eisers situatie en kent de minister de situatie van het afgemeerde binnenvaartschip niet.
10.2.
De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt het volgende.
10.2.1.
Voor een gebeurtenis, zoals het in- en uittakelen van boten, die de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar kan brengen, is toestemming nodig van de bevoegde autoriteit. [1]
10.2.2.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat het in en uit het water takelen van boten bij eisers perceel de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar kan brengen. Het staat vast dat eisers perceel in de uitloop van een bocht in het kanaal ligt. Ook is tussen partijen niet in geschil dat het kanaal ter hoogte van eisers perceel smaller is dan verderop op het kanaal. Dit betekent dat het vaarwegprofiel bij eisers perceel dichter langs de damwand ligt en dat de boten die daar in en uit het water worden getakeld in de vaarweg komen te liggen. Verder staat vast dat het kanaal onder meer door grote binnenvaartschepen wordt gebruikt, die voor golfslag en een zuigende werking op het kanaal kunnen zorgen. Gelet op die feiten en omstandigheden is voldoende aannemelijk dat boten die eiser in en uit het water wil takelen de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart op het kanaal in gevaar kunnen brengen. De boten die eiser wil takelen hebben vóór het uittakelen en na het intakelen namelijk ligplaats in het kanaal. Het gevaar bestaat ongeacht hoe lang de boten die ligplaats innemen.
10.2.3.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de invloed van de damwand van zijn buurman op de scheepvaart te vergelijken is met het in en uit het water takelen van boten bij eisers perceel. De damwand van de buurman ligt verderop in het kanaal, waar het kanaal breder is en de omstandigheden anders zijn dan bij eisers perceel. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de damwand van de buurman op de rand van het daar geldende vaarwegprofiel ligt. Verder is van belang dat de damwand van de buurman een statische situatie vormt en, anders dan de boten die eiser wil in- en uittakelen, niet beweegt als er schepen passeren.
Daarnaast is de invloed van het aangemeerde binnenvaartschip op de scheepvaart ook niet vergelijkbaar met de takelactiviteiten van eiser. De minister heeft op de zitting toegelicht dat het schip op een locatie lag waar tot twaalf meter voor de langshaven mag worden afgemeerd. Mocht het zo zijn dat er een tweede binnenvaartschip lag aangemeerd tegen het schip, dan is dat volgens de minister in strijd met de regels en had moeten worden gehandhaafd.
10.2.4.
Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van onzorgvuldige besluitvorming. De minister heeft naar de situatie ter plaatse gekeken en deugdelijk gemotiveerd waarom de toestemming is geweigerd. De minister heeft ook niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister toestemming met daaraan verbonden voorschriften weigeren?
11. Eiser betoogt dat de minister voorschriften aan de toestemming kan verbinden om de zorgen over de veiligheid op het kanaal weg te nemen, zoals voorschriften over het aantal keren takelen en tijdstippen waarop getakeld mag worden.
11.1.
De minister stelt dat hij heeft onderzocht of toestemming met daaraan verbonden voorschriften kan worden verleend, maar dat dit niet mogelijk is. De belangen van de scheepvaart worden door het verbinden van voorschriften niet voldoende beschermd.
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om toestemming met voorschriften te verlenen. Gelet op de in overweging 10.2.2. genoemde omstandigheden is voldoende aannemelijk dat de belangen van de scheepvaart door het verbinden van voorschriften aan een toestemming in dit geval niet voldoende worden beschermd. De minister heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eisers voorstel om alleen op vaste tijden boten in en uit het water te takelen of de toestemming te verlenen voor enkele keren per maand, praktisch niet zodanig kan worden uitgevoerd dat op elk moment mogelijk gevaar voor de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart wordt voorkomen. De minister stelt terecht dat op voorhand niet is in te schatten op welke momenten er geen overig scheepvaartverkeer op het kanaal aanwezig is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de weigering om toestemming te verlenen in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
12. Eiser betoogt dat de weigering om toestemming te verlenen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eisers belangen zijn ten onrechte niet meegewogen in de besluitvorming. Het watersportbedrijf vormt eisers inkomen en ligt op een bedrijventerrein aan het water. Verder heeft eiser allerlei kosten gemaakt om de kade geschikt te maken voor het in en uit het water takelen van boten. Bovendien zijn er minder ingrijpende maatregelen om de veiligheid op het kanaal te waarborgen. De minister heeft wel meegedacht over een haven, maar daar heeft eiser geen geld voor. De weigering is daarom niet passend en noodzakelijk, aldus eiser.
12.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat er geen strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat de weigering geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Eisers belangen zijn bij de besluitvorming betrokken. In het verleden zijn diverse alternatieven onderzocht en met eiser besproken, zoals het realiseren van een insteekhaven, een langshaven of een helling op eigen terrein. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de aangedragen oplossingsmogelijkheden. Verder stelt de minister dat er geen minder ingrijpende alternatieven dan het weigeren van de toestemming voorhanden zijn. Hoewel de geweigerde toestemming ingrijpend is voor eiser omdat dat besluit betekent dat eiser bij het perceel (onder de huidige omstandigheden) geen boten in en uit het water mag takelen, brengt dit niet met zich dat het bestreden besluit onevenredig is. In het besluit zijn alle belangen zorgvuldig afgewogen en is terecht geconcludeerd dat een vlot en veilig verloop van de scheepvaart alleen geborgd kan worden door weigering van de toestemming, aldus de minister.
12.2.
De rechtbank is van oordeel dat de weigering om aan eiser toestemming te verlenen niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister in de besluitvorming onvoldoende gewicht heeft toegekend aan zijn belangen bij het in- en uittakelen van boten bij zijn perceel. Vóór de werkzaamheden aan eisers damwand heeft Rijkswaterstaat al met eiser overlegd over de mogelijkheden voor het in- en uittakelen van boten. In het e-mailbericht van 23 november 2022 is eiser over verschillende (on)mogelijkheden geïnformeerd. Dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheden, zoals een helling of een insteekhaven, kan de minister niet worden tegengeworpen. De minister mocht verder zwaar gewicht toekennen aan de mogelijke gevaren van het in- en uittakelen van boten bij eisers perceel voor de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart op het kanaal. Daarbij is van belang dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat minder ingrijpende maatregelen niet passend zijn. Dat eiser kosten heeft gemaakt om de kade geschikt te maken voor zijn takelactiviteiten en de kade nu niet kan gebruiken, maakt de weigering om toestemming te geven niet onevenredig. Zoals eerder overwogen, is eiser zonder watervergunning en zonder toestemming voor het in- en uittakelen van boten begonnen met het aanpassen van de damwand voor zijn bedrijfsvoering. De vergunning op grond van de Wtw heeft bovendien een ander beoordelingskader dan de toestemming op grond van het Bpr. De vergunning en de toestemming dienen andere doelen en belangen. Het feit dat eiser de watervergunning kreeg, doet daarom geen afbreuk aan de beoordeling die de minister in het kader van het Bpr moest maken. Hoe het perceel is bestemd, vormt ook geen onderdeel van die beoordeling. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering van de toestemming in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van
mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 1.23, eerste en tweede lid, van het Bpr.