ECLI:NL:RBNNE:2026:678

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
18.310269.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 45 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling met ISD-maatregel voor zeer actieve veelpleger

Op 16 november 2025 heeft verdachte zonder duidelijke aanleiding het slachtoffer op het perron van station Groningen Noord aangevallen. Hij trapte het slachtoffer hard tegen de zij en het hoofd, beet hem in de duim en stak met een kapotte glazen fles richting het gezicht.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen van buitengewoon opsporingsambtenaren en het letsel dat werd vastgesteld. Verdachte ontkende het gebruik van glas, maar de rechtbank achtte het bewijs overtuigend en concludeerde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Gezien de ernst van het feit, de persoon van verdachte als zeer actieve veelpleger met een ernstige verslavingsproblematiek en het hoge recidiverisico, legde de rechtbank een ISD-maatregel van twee jaar op zonder aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van €1.500,- aan het slachtoffer toegekend, vermeerderd met wettelijke rente. Materiële schade werd niet toegewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en krijgt een ISD-maatregel van twee jaar opgelegd met een immateriële schadevergoeding van €1.500,- aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.310269.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [verblijfplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I. Djordjevic, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 november 2025, te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers, heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] op/tegen/in de linkerzij getrapt en/of met gestrekt been in volle vaart op/tegen het scheenbeen getrapt/geschopt en/of in de duim gebeten en/of met het/een afgebroken deel van een fles, althans een stuk glas, in snelle vaart in de richting van het gezicht gestoken/geslagen/geduwd en/of met kracht tegen de achterzijde van het hoofd getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 november 2025, te Groningen, [slachtoffer] heeft mishandeld, door op/tegen/in de linkerzij te trappen en/of met een gestrekt been in volle vaart op/tegen het scheenbeen te trappen/schoppen en/of in de duim te bijten en/of met het/een afgebroken deel van een fles, althans een stuk glas of voorwerp, in elk geval zijn hand, in snelle vaart in de richting van het gezicht te steken/slaan/duwen en/of met kracht tegen de achterzijde van het hoofd te trappen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde.
Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verklaring van aangever is betrouwbaar en deze vindt steun in het geconstateerde letsel, de bevindingen van de politie en de verklaringen van de buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: boas). Zij gaat daarom uit van de feiten zoals deze door aangever zijn verklaard. Dit betekent dat verdachte zich met een glasscherf in een vechtpartij heeft begeven en daarmee richting het gezicht van aangever heeft gestoken. Hiermee heeft verdachte naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijk kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Ditzelfde geldt ook voor het bijten en het tegen het hoofd van aangever schoppen..
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Verdachte kan zich er niet in herkennen dat hij met glas heeft gestoken. Dit blijkt enkel uit de verklaring van aangever. Volgens verdachte had hij zelf nadien ook wonden van glasscherven. Dat er daarom glas ter plaatse was is aannemelijk, maar wat voor glas dit was en dat verdachte daarmee zodanig heeft gestoken dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, is onvoldoende duidelijk en wordt betwist. Verdachte moet daarom van poging tot zware mishandeling worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
betrouwbaarheid verklaringen
De rechtbank overweegt dat verklaringen in een strafzaak kritisch en zorgvuldig moeten worden bezien. Zij dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en ook om de wijze waarop zij zijn afgelegd.
Aangever heeft op 16 november 2025, gelijk na het incident, zijn verklaring afgelegd. Aangever heeft consistent en consequent verklaard over hetgeen zich heeft afgespeeld eerder die dag. Hij heeft ook verklaard over het geweld dat hij zelf heeft toegepast om verdachte in bedwang te houden. Zijn verklaring past bij de fotos die van zijn letsel zijn gemaakt en het letsel dat de boas bij hem hebben gezien. Ook heeft hij gelijk na het incident tegen de boas gezegd dat hij door de man met een stuk glas was gestoken en dat hij was gebeten. Later in zijn verklaring legt hij uit dat het glas afkomstig was van een waterfles uit zijn tas die door de val op de grond kapot was gegaan.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever. De rechtbank komt tot de conclusie dat de verklaring van aangever betrouwbaar en consistent is en dat die verklaring is gebaseerd op authentieke eigen herinneringen. De verklaring kan daarom als bewijsmiddel worden gebruikt.
Voorts stelt de rechtbank vast dat de verklaring van aangever niet op zichzelf staat. Er is door de boas bloed bij zijn neus gezien en gezien dat zijn hand dik en blauw was.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich niet alles kan herinneren, maar dat hij nog wel weet dat hij op de man is afgelopen, dat hij werd vastgehouden en toen in de hand van man heeft gebeten en dat overal glas lag. Ook dit sluit aan bij de verklaring van aangever.
Aldus concludeert de rechtbank dat het dossier voldoende steunbewijs bevat, waarbij de rechtbank ten overvloede opmerkt dat de wetsregel van artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering, dat het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige, betrekking heeft op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan.
bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 19 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 16 november 2025 stond ik op het perron van het Station Groningen Noord. Ik werd boos op een man met een hond op het andere perron. Ik ben toen het spoor overgestoken en ben op de man afgelopen.
Toen de man mij vasthield hield heb ik hem gebeten. Er lag allemaal glas op de grond.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 november 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025310980 d.d. 18 november 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Ik was op 16 november 2025 op het treinstation Groningen-Noord, samen met mijn hond. Ik stond op het perron. Ik zag aan de andere kant van het perron een man staan. Ik zag dat de man over de hekken heen klom en over het spoor richting mij liep. Toen de man over het hek heen kwam, haalde hij uit met zijn linkerbeen en trapte hij in mijn rechterzij. Ik zag dat de man zijn been gestrekt had en volle vaart uithaalde. Ik pakte de man vast met mijn arm om zijn nek. Ik voelde tijdens de worsteling dat de man met veel kracht in mijn linker duim beet. Ik voelde meteen een flinke pijnschuit
(de rechtbank begrijpt:
pijnscheut)in mijn duim en kon deze ook niet meer bewegen. Ik zag dat mijn duim blauw werd, en er veel bloed omheen zat. Ik had een glazen waterfles in mijn tas zitten. Deze is tijdens de worsteling op de grond kapot gegaan. Ik zag dat de man de hals van de fles vastpakte. De hals/bovenkant van de fles was kapot gegaan en hier zaten scherpe randen aan. Ik zag dat de man met snelle vaart de gebroken glazen fles richting mijn gezicht bewoog. Ik voelde dat een stuk van de glazen fles tegen de onderzijde van mijn neus aankwam. Ik voelde een pijnscheut en zag en voelde ook meteen dat de wond begon te bloeden. Ik moest met mijn hoofd naar achter bewegen, anders weet ik zeker dat de kapotte fles meer letsel had toegediend in mijn gezicht. Uiteindelijk is het de man gelukt om zijn been los te rukken. Ik zag en voelde dat de man met kracht zijn been tegen de achterzijde van mijn hoofd aantrapte. Ik voelde hier meteen pijn van. Ik heb een kapotgebeten duim en een snee aan de onderzijde van mijn neus, hoofdpijn, duizelig en last van mijn rechterzij.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 18 november 2025, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [boa 1] :
Op 16 november 2025 was ik in dienst als boa voor de gemeente Groningen. Ik deed dienst met mijn collega [boa 2] . Toen ik op het perron was zag ik dat er twee personen op de grond lagen. Ik zag dat één persoon op zijn rug lag en dat daarop een persoon lag die met een klem werd vast gehouden. Terwijl mijn collega's met de verdachte in gesprek gingen ging ik samen met [boa 2] met het slachtoffer in gesprek om zijn kant van het verhaal te horen en te kijken naar zijn verwondingen. Ik zag dat uit zijn neus veel bloed kwam. Ik hoorde dat hij zei dat hij door de man met een stuk glas was gestoken. Ik zag aan zijn linkerhand dat deze dik en blauw was.
Bewijsoverweging
Verdachte ontkent dat hij de bedoeling heeft gehad om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarom moet worden beoordeeld of verdachte voorwaardelijk opzet had op dit gevolg.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier zwaar lichamelijk letsel- aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Aan de hand van het strafdossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat verdachte aangever met veel kracht in zijn rechterzij heeft getrapt en met kracht tegen zijn achterhoofd heeft getrapt. Ook heeft hij hem met veel kracht in zijn duim gebeten en heeft hij -tijdens een worsteling-met een kapotte glazen fles met veel snelheid richting het gezicht van aangever bewogen. Ondanks dat aangever zijn gezicht heeft weggetrokken is hij toch nog met het glas onder zijn neus geraakt.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar en uiterst vitaal deel is van het menselijk lichaam. Door met veel kracht tegen het hoofd van aangever te trappen bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor zwaar gewond zou raken. Hetzelfde geldt voor het tijdens een worsteling met een ongecontroleerde beweging met veel snelheid bewegen van glas in de richting van het gezicht. Wanneer aangever niet was uitgeweken had het glas hem met volle kracht in het gezicht geraakt was er naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijk kans dat daardoor zenuwen en pezen in het gezicht beschadigd zouden zijn en ontsierende littekens in het aangezicht waren toegebracht. Maar ook door het met kracht in de hand te bijten is de aanmerkelijke kans aanwezig dat spieren en pezen ernstig beschadigd raken en littekens ontstaan. Hetgeen ook als zwaar
lichamelijk wordt aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht daarom poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 16 november 2025, te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers, heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] tegen de zij getrapt en in de duim gebeten en met het afgebroken deel van een fles in snelle vaart in de richting van het gezicht gestoken/geduwd en met kracht tegen de achterzijde van het hoofd getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primair poging tot zware mishandeling.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft eveneens gepleit voor het opleggen van de ISD-maatregel. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte aan zijn problematiek wil werken, maar dat allerlei andere trajecten niet zijn gelukt en dat voor klinische trajecten vaak lange wachtlijsten zijn waardoor verdachte -voordat hij wordt opgenomen- door zijn verslaving weer in de problemen komt. Verdachte ziet de maatregel als een mogelijkheid om snel aan zijn behandeling te kunnen starten en aan zichzelf te werken.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf of maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies opgemaakt door Verslavingszorg Noord Nederland van 19 december 2025, de aanvulling hierop door de reclasseringswerker via e-mail op 15 januari 2026 en ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
ernst van feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling. Hij is op het perron op het station in Groningen Noord op het slachtoffer afgelopen en heeft hem zonder duidelijk aanleiding aangevallen. Hij heeft het slachtoffer hierbij hard tegen zijn zij en hoofd getrapt en heeft hem in zijn duim gebeten. Ook heeft hij tijdens de worsteling met een ongecontroleerde beweging met een kapotte glazen fles richting het gezicht van het slachtoffer bewogen. Verdachte was deze dag s morgens vrijgelaten uit de [verblijfplaats] en heeft gelijk alcoholhoudende drank gekocht. Terwijl hij onderweg naar huis was is hij gaan drinken. Hij was ten tijde van het delict daardoor flink onder invloed van alcohol. Het geweld dat door de verdachte op het willekeurige slachtoffer is uitgeoefend moet op het slachtoffer een grote indruk hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort gewelddadige delicten ondervinden daar vaak nog lang last van; naast de fysieke pijn, hindert de herinnering aan het plotselinge geweld hen in hun dagelijks bestaan. Uit de schriftelijke verklaring van het slachtoffer en de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding blijkt dat dit ook in deze zaak het geval. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
persoon van verdachte
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, maar dat hij daarnaast veelvuldig is veroordeeld voor vermogensdelicten. Gelet op de justitiële documentatie kan hij worden aangemerkt als een zeer actieve veelpleger.
Volgens de reclassering heeft verdachte een ernstige stoornis in alcohol- en cocaïnegebruik en is er sprake van persoonlijkheidsproblematiek. Daarnaast is er vermoedelijk sprake van onverwerkte traumas aangaande misbruik in zijn jeugd en het overlijden van zijn dochter. Mede hierdoor zijn er vrijwel geen beschermende factoren aanwezig. De reclassering schat het risico dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt in als hoog. Verdachte heeft recent driemaal de kans gehad om binnen het strafrechtelijk kader een
klinische behandeling te ondergaan voor zijn verslaving, traumas en rouwverwerking. Dit heeft niet tot de gewenste gedragsverandering geleid. De reclassering ziet geen mogelijkheden meer om in het voorwaardelijk kader invloed op het recidiverisico uit te oefenen, omdat alle ondernomen ambulante en klinische behandelpogingen zijn mislukt en de mogelijkheden zijn uitgeput. Ook een veelheid aan behandelpogingen binnen vrijwillig kader zijn mislukt. De reclassering adviseert daarom oplegging van de ISD-maatregel.
de maatregel
De rechtbank overweegt dat het door verdachte begane een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf veroordeeld en het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast voldoet verdachte aan de criteria genoemd in de richtlijn van het openbaar ministerie voor een zeer actieve veelpleger. Bovendien is de rechtbank met de reclassering van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan.
De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist. De maatregel is geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. Het plegen van dit misdrijf en eerdere misdrijven hangt in grote mate samen met de verslavingsproblematiek van verdachte. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat zijn onverwerkte traumas en de rouwverwerking invloed hebben op zijn verslaving, omdat hij door het gebruik zijn gevoelens probeert te dempen. De ISD-maartregel kan mede een bijdrage leveren aan de oplossing van zijn verslavingsproblematiek, de onverwerkte traumas en rouwverwerking.
Alles afwegend zal de rechtbank verdachte de ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren. Het voorarrest zal niet van deze periode worden afgetrokken, zodat verdachte de volledige twee jaren kan benutten om aan zijn problematiek te werken.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 119,-- ter vergoeding van materiële schade en 1.500,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ter zitting heeft de benadeelde partij benadrukt dat een bedrag van 1.500,-- voor immateriële schade redelijk is, omdat er sprake is van meerdere geweldshandelingen die tegen hem zijn gepleegd.
Standpunt van de officier van justitie
Primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat de gevorderde nieuwwaarde van de laarzen van 119,--redelijk is en kan worden toegewezen. Subsidiair heeft zij aangevoerd, in het geval de rechtbank dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd vindt, de schade voor de laarzen te matigen en te schatten.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie aangevoerd dat de immateriële schade tot een bedrag van
1.000,-- voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen. Beide bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente.
Ten aanzien van het overig gevorderde moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de officier van justitie.
De officier van justitie heeft voorts oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Standpunt van de verdediging
Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de schade niet is vast te stellen. De benadeelde partij stelt dat de laarzen niet meer waterdicht zijn, maar dit blijkt niet uit de vordering. Ook is gesteld dat ze nog zo goed als nieuw waren, terwijl uit de foto blijkt dat er flinke gebruikssporen op zitten. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat rekening moet worden gehouden met de afschrijvingskosten.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze moet worden gematigd tot 1.000,--.
Oordeel van de rechtbank
materiële schade
De materiële schade en de hoogte daarvan is door de verdediging betwist. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om de schade aan de laarzen en de hoogte van deze schade te kunnen beoordelen. De rechtbank vindt de fotos die zijn bijgevoegd, daarvoor onvoldoende duidelijk. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de schade en de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen door het bewezenverklaarde en kan daardoor op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek aanspraak maken op immateriële schade.
De rechtbank zal naar billijkheid de hoogte van deze schade vaststellen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de benadeelde partij naar aanleiding van het bewezenverklaarde pijn aan zijn achterhoofd, neus en linker duim had. Ook had hij spierpijn. De pijn aan zijn achterhoofd en neus hield circa een week aan. Door de bijt was de duim bebloed, de huid was kapot en er ontstond een pijnlijke blauwe plek. Tot op heden is de duim nog steeds gevoelig. De benadeelde partij heeft voor de wond antibiotica gekregen. De benadeelde partij heeft na het bewezenverklaarde last van herbelevingen. Deze herbelevingen nemen sinds kort af. De rechtbank acht met name de bijtwond een zeer vervelende wond en weegt deze zwaar mee bij de beoordeling van de hoogte van de schade. Daarnaast acht de rechtbank ook de psychische schade voor de hoogte belangrijk. De benadeelde partij is zonder enige aanleiding aangevallen en het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak grote indruk achterlaat en veel invloed heeft op het dagelijks leven van de slachtoffers. Hetgeen ook het geval is bij de benadeelde partij. De rechtbank acht daarom het gevorderde bedrag van
1.500,-- voor immateriële schade billijk en zal dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2025, toewijzen.
schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
proceskosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38n, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.
Benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 1.500,-- (zegge: éénduizend vijfhonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 november 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.500,-- (zegge: éénduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.C. Koelman, voorzitter, mr. S.T. Kooistra en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2026.
Mr. H.C.L. Vreugdenhil is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.