Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van parketnummer 18-309971-23
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde onder 1 en 2.
Ten aanzien van parketnummer 08-302725-23
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Ten aanzien van parketnummer18-324727-24
De officier van justitie heeft tot vrijspraak gerekwireerd met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde. De handelingen van verdachte zoals die in het dossier naar voren komen passen beter bij een poging tot diefstal met geweld. Zij heeft gelet daarop veroordeling gevorderd voor het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.
De officier van justitie heeft met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde de volgende standpunten ingenomen. De uitlatingen “ik maak jou kapot” “ik ga jou nog pakken” die zijn geuit richting de inrichtingswerker genaamd “ [slachtoffer 7] ”, kunnen niet als bedreigingen met de dood of zware mishandeling worden aangemerkt. De uitlatingen richting de inrichtingswerker genaamd “ [slachtoffer 5] ” en de uitlatingen richting psychiater [slachtoffer 6] kunnen daarentegen wettig en overtuigend worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van parketnummer 18-309971-23
De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van parketnummer 08-302725-23
De raadsman heeft met betrekking tot het ten laste gelegde zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van parketnummer 18-324727-24
De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak bepleit en hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft aangegeven dat hij niet de intentie heeft gehad om geld van aangeefster te stelen. Hij heeft ook niet geprobeerd om de tas van aangeefster af te pakken. Het heeft daar mogelijk op geleken doordat de tas in de scootmobiel van aangeefster zat. Verdachte heeft tot nu toe eerlijk verklaard. In het gedragsdeskundig advies komt naar voren dat verdachte niet over de capaciteiten beschikt om iets te verzinnen. De verklaring van verdachte dient daarom als uitgangspunt genomen te worden. Het opzet op de poging tot afpersing of diefstal kan niet worden bewezen.
De raadsman heeft ook met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De uitlatingen van verdachte richting de drie medewerkers van de [instelling] zijn niet van dien aard dat daaruit redelijke vrees voor verwerkelijking kan ontstaan. De medewerkers van de [instelling] hebben niet verklaard dat zij door de uitlatingen van verdachte angstig zijn geworden of dat zij die serieus hebben genomen. Het gedrag van verdachte wordt gestuurd door zijn ziektebeeld. Het zijn uitingen van onmacht en frustratie.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 18-309971-23
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van
Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 mei 2023, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023309208 d.d. 23 november 2023 inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 oktober 2023, op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 november 2023 op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van
Ten aanzien van parketnummer 08-302725-23
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 oktober 2023, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0600-2023519718 d.d. 17 november 2023 inhoudend de verklaring van
Ten aanzien van parketnummer18-324727-24
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 oktober 2024, opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met het onderzoeknummer NN1R024110/ MAXUS d.d. 14 oktober 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :
Op 13 oktober 2024 reed ik met mijn scootmobiel op [adres] te Leeuwarden. Ik werd aangesproken door een grote man en wat opvallend was dat hij op sokken liep. De man keek heel boos en vroeg mij om geld. Ik zei: “ik heb geen geld meer.” De man zei: “je geeft mij maar 5 euro!” Ik heb mijn portemonnee in mijn tas gelegd. Ik heb mijn tas in het mandje aan het stuur van de scootmobiel gelegd. Ik zag dat de man mijn tas uit het mandje wilde pakken. Ik wilde dit voorkomen en pakte mijn tas ook vast. Er ontstond een worsteling waardoor ik uit mijn scootmobiel werd getrokken. Ik heb mijn tas krampachtig vastgehouden en de man heeft mijn tas losgelaten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 oktober 2024, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige] :
Op 13 oktober 2024 fietste ik op [adres] te Leeuwarden. Ik hoorde geluiden alsof er iets gebeurde. Ik zag op de kruising [adres] met [adres] een schermutseling tussen een manspersoon en een vrouw, welke zich bevond in een scootmobiel. Ik zag tevens dat de man een witte sok aan had. Ik zag dat de man probeerde de tas te ontfutselen van de vrouw. Dit bleek mij uit het feit dat hij aan de tas trok en dat de vrouw dit tegen hield door hier ook aan te trekken. Ik zag dat het niet lukte om de tas af te pakken. Ik zag wel dat door de kracht waarmee de manspersoon aan de tas trok de vrouw uit haar scootmobiel werd getrokken.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 oktober 2024, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Wij kregen op 13 oktober 2024 de melding om te gaan naar [adres] te Leeuwarden. Aldaar was zojuist een poging straatroof gepleegd. De verdachte betrof een blanke man in de leeftijd van 50 tot 60 jaar. Hij was op sokken weggelopen in de richting van het [adres] . Op het [adres] zagen wij een persoon lopen met het hierboven omschreven signalement. Wij hebben de man aangesproken. Wij herkenden de man ambtshalve als [verdachte] . Hierop hebben wij [verdachte] aangehouden.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 mei 2024, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van de zorg behandel inrichtingswerker [instelling] genaamd [slachtoffer 5] :
Tijdens mijn dienst op 18-04-2024 zei betrokkene
(de rechtbank begrijpt: verdachte)tegen mij: “Moet je eens goed luisteren, op 30 april kom ik in schorsing en dan kom ik terug met een vuurwapen.”
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 mei 2024, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van de zorg behandel inrichtingswerker [instelling] genaamd [naam 3] :
Tijdens mijn dienst op 18-04-2024 gaf betrokkene
(de rechtbank begrijpt: verdachte)een brief. [slachtoffer 6] heeft vervolgens de brief ontvangen waarin de volgende bedreiging staat. “Beste [slachtoffer 6] , ik krijg van jou niet de goede medicatie. Daarom heb ik tegen jou personeel gezegt dat ik jou wou vermoorden.”
6. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik de brief met daarin de bedreiging aan [slachtoffer 6] heb geschreven. Het klopt ook dat ik “ [slachtoffer 5] ” heb bedreigd.
Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het feitencomplex zoals dat in de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, beter past bij een poging tot diefstal met geweld. Zij zal verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
Om tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot diefstal met geweld te komen, is vereist dat in de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm een begin van uitvoering besloten ligt die op voltooiing daarvan is gericht.
Uit de bewijsstukken volgt dat verdachte eerst om geld heeft gevraagd en toen hij geen geld kreeg, de tas van aangeefster waarin ook haar portemonnee zat, met fysiek geweld heeft proberen weg te nemen. Een getuige heeft dit gezien en verdachte is aan de hand van een opvallend signalement dat hij op sokken liep op heterdaad aangehouden. De rechtbank ziet in het handelen van verdachte een onvolkomen verwerkelijking van een wegnemingshandeling die op gedwongen afgifte van een tas met daarin een portemonnee is gericht. Het verweer van de raadsman dat verdachte geen opzet had op het wegnemen van geld wordt weerlegd door de bewijsmiddelen.
Bewijsoverweging met betrekking tot feit 2
Partiële vrijspraak voor de bedreiging van [slachtoffer 7]
De rechtbank is van oordeel dat de uitlating van verdachte “ik maak je kapot” richting de inrichtingswerker genaamd “ [slachtoffer 7] ”, niet als een concrete strafbare bedreiging met enig misdrijf kan worden geduid. Woorden als "ik maak je kapot" kunnen ook duiden op een eenvoudige mishandeling of een uiting zijn van boosheid of intimidatie. De gebruikte woorden konden bij “ [slachtoffer 7] ” niet de redelijk vrees doen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen dan wel het leven zou laten. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
De bedreigingen van de psychiater [slachtoffer 6] en de inrichtingswerker [slachtoffer 5]
Voor een strafbare bedreiging is vereist dat de bedreigende uitlating van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat deze in zijn algemeenheid bij de geadresseerde van de bedreiging redelijke vrees kan opwekken dat het misdrijf waarmee is gedreigd zal worden gepleegd. Het is niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijke vrees is opgewekt, in tegenstelling tot hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte een brief heeft geschreven aan
psychiater [slachtoffer 6] waarin hij kenbaar maakt dat hij [slachtoffer 6] wilde vermoorden. Daarnaast heeft verdachte tegen inrichtingswerker “ [slachtoffer 5] ” gezegd dat hij met een vuurwapen terug zal komen als hij in een schorsing komt. De rechtbank is van oordeel dat deze uitlatingen concrete dreigende taal bevatten waarin met fors geweld en de dood wordt gedreigd, waarmee in zijn algemeenheid bij de bedreigde redelijke vrees voor verwerkelijking daarvan kan worden opgewekt. Uit het dossier is voorts gebleken dat verdachte meermalen heeft meegedeeld dat hij zal doen wat nodig is om een terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd te krijgen. De bedreigingen van verdachte hebben binnen deze context een bijzonder beangstigende lading. De bedreigingen kunnen dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Ten aanzien van parketnummer 18-309971-23
1
hij op 8 mei 2023 te Leeuwarden, [slachtoffer 1] , werkzaam als begeleider [instelling] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met kracht tegen het hoofd te slaan;
2
hij in de periode van 22 augustus 2023 tot en met 2 november 2023 te Zwolle meermalen
[slachtoffer 2] , werkzaam als psychiater binnen [instelling] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door medewerkers van [instelling] telkens telefonisch
dreigend de woorden toe te voegen - zakelijk weergegeven - als [slachtoffer 2] hem niet op Ritalin zet, hij haar door het hoofd zal schieten met een 9mm als hij vrij zou komen en dat hij haar zal vermoorden, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreigingen [slachtoffer 2] kennis heeft gekregen;
Ten aanzien van parketnummer 08-302725-23
hij op 27 oktober 2023 te Zwolle [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
- [ [naam 1] de woorden toe te voegen dat hij, als hij straks vrijkomt, die [slachtoffer 3] op
zou wachten en zijn kop er af zou rukken, van welke bedreiging die [slachtoffer 3] op de hoogte is geraakt, en vervolgens
- die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "ik wacht jou op en dan neem ik je te grazen";
Ten aanzien van parketnummer18-324727-24
hij op 13 oktober 2024 te Leeuwarden, op een openbare weg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een handtas inhoudende onder meer een portemonnee die aan [slachtoffer 4] toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld tegen [slachtoffer 4] , te plegen met het oogmerk om bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond, dat verdachte
- zich naar die [slachtoffer 4] , die zich in een scootmobiel bevond, heeft begeven en die
boos heeft aangekeken en haar de woorden heeft toegevoegd: “ik wil geld” en “Je geeft mij maar 5 euro en vervolgens
- de handtas van die [slachtoffer 4] heeft vastgepakt en aan die handtas heeft getrokken waardoor die [slachtoffer 4] uit haar scootmobiel werd getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 18 april 2024 te [plaats] , in de [instelling] , een Zorg Behandel Inrichtingswerker en een psychiater, te weten
- op 18 april 2024, de Zorg Behandel Inrichtingswerker, genaamd [slachtoffer 5] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door opzettelijk dreigend [slachtoffer 5] de woorden toe te voegen: “Moet je eens goed luisteren, op 30 april kom ik in schorsing en dan kom ik terug met een vuurwapen” en
- op 18 april 2024, [slachtoffer 6] , werkzaam als psychiater, schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door opzettelijk via een zorg behandel inrichtingswerker, een brief aan voornoemde psychiater toe te laten komen met daarin de dreigende tekst: "Beste [slachtoffer 6] , ik krijg van jou niet de goede medicatie, Daarom heb ik tegen jou personeel gezegt dat ik jou wou vermoorden, welke brief ter kennis is gekomen van voornoemde [slachtoffer 6] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.