ECLI:NL:RBNNE:2026:621

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
25/2246
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.6 WhtArt. 2.7 WhtArt. 2.10 WhtArt. 2.11 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding hersteloperatie toeslagen wegens ontbreken kinderopvangtoeslagaanvraag

Eiseres verzocht om een vergoeding in het kader van de hersteloperatie toeslagen voor de jaren 2005, 2006, 2007 en 2010. Dienst Toeslagen weigerde dit omdat uit onderzoek bleek dat eiseres geen kinderopvangtoeslag had aangevraagd in die jaren. Eiseres stelde dat zij wel aanvragen had gedaan, maar deze werden telkens afgewezen vanwege haar registratie op de Fraude Signalering Voorziening (FSV) lijst.

De rechtbank oordeelde dat Dienst Toeslagen zorgvuldig had onderzocht of eiseres aanvrager was van kinderopvangtoeslag en dat eiseres onvoldoende bewijs had geleverd om dit aannemelijk te maken. Het vermeende telefoongesprek waarop eiseres zich baseerde werd niet geloofd, mede omdat Dienst Toeslagen op dat tijdstip niet bereikbaar was en een herbeoordeling niet telefonisch kan worden aangevraagd.

Verder bleek dat de registratie van eiseres op de FSV-lijst betrekking had op een ander jaar (2014) waarin zij geen recht meer had op kinderopvangtoeslag, zodat geen verband kon worden gelegd met de afwijzing van haar aanvragen. Ook het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat geen onbillijkheid van overwegende aard was aangetoond.

De rechtbank vond het besluit van Dienst Toeslagen voldoende gemotiveerd en zorgvuldig genomen. Het beroep werd ongegrond verklaard, zonder terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van vergoeding in het kader van de hersteloperatie toeslagen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2246

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigde: mr. W.E. Lauwerse).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiseres in het kader van de hersteloperatie toeslagen een vergoeding toe te kennen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen terecht heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 13 februari 2024 heeft Dienst Toeslagen geweigerd om aan eiseres, naar aanleiding van haar verzoek om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2005, 2006, 2007 en 2010, een vergoeding toe te kennen. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde (via Teams) en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft op 23 oktober 2023 verzocht om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2005, 2006, 2007 en 2010.
4. Met de brief van 13 november 2023 heeft Dienst Toeslagen de voorlopige beslissing op het verzoek van eiseres aan haar medegedeeld. Eiseres heeft geen recht op één van de drie herstelregelingen (compensatieregeling, hardheidsregeling en opzet/grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming) over de jaren 2005, 2006, 2007 en 2010, omdat eiseres in die periode geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd.
5. Met het besluit van 13 februari 2024 heeft Dienst Toeslagen geweigerd om aan eiseres, naar aanleiding van haar verzoek om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2005, 2006, 2007 en 2010, een vergoeding toe te kennen.
6. Eiseres heeft tegen dit besluit op 13 maart 2024 bezwaar gemaakt.
7. Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar bezwaren toe te lichten op de hoorzitting van 22 april 2025 van de Bezwaarschriftadviescommissie hersteloperatie toeslagen (hierna: de commissie). Eiseres is op de hoorzitting verschenen. De commissie heeft Dienst Toeslagen geadviseerd om het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren.
8. Met het thans bestreden besluit heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de commissie, ongegrond verklaard.
De standpunten van partijen.
9. Eiseres stelt dat zij in het verleden meermaals kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, maar dat deze aanvragen telkens direct werden afgewezen. Achteraf bleek dat eiseres destijds geregistreerd stond op de Fraude Signalering Voorziening (FSV) lijst. Haar opname op deze lijst heeft mogelijk bijgedragen aan de afwijzing van haar aanvragen. Eiseres doet een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De harde afwijzing van haar aanvragen en de gevolgen daarvan leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Eiseres stelt verder dat Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft verstrekt. Eiseres noemt in dat verband de bijlage “uitleg per jaar” bij het besluit van 13 februari 2024 en een verslag van het in het ouderdossier vermelde telefoongesprek van 1 januari 2011. Eiseres stelt ten slotte dat Dienst Toeslagen in het besluit van 13 februari 2024 in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Het besluit kent niet een deugdelijke en draagkrachtige motivering en in het besluit is niet ingegaan op de plaatsing van eiseres op de FSV lijst.
10. Dienst Toeslagen stelt dat uit de stukken waarover hij kan beschikken niet blijkt dat eiseres zelf kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd of dat kinderopvangtoeslag aan haar is uitbetaald. Ook blijkt daaruit niet van een afwijzingsbesluit of van een bezwaarschrift van eiseres tegen een dergelijk besluit. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden. Dienst Toeslagen is niet gebleken dat eiseres daaraan voldoet en daarom komt zij niet voor compensatie in aanmerking.
Dienst Toeslagen stelt verder dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiseres zijn verzonden. Dienst Toeslagen stelt ten slotte dat het besluit van 13 februari 2024 voldoende is gemotiveerd en dat bij de voorbereiding en totstandkoming van het besluit de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen.
Beoordeling
11. Uit artikel 2.1 van de Wht volgt het uitgangspunt dat compensatie kan worden gegeven aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden. Om in aanmerking te komen voor compensatie moet eiseres dus een aanvrager van een kinderopvangtoeslag zijn.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen zorgvuldig onderzocht of eiseres aanvrager is geweest van kinderopvangtoeslag. Naar aanleiding van het verzoek van eiseres om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag heeft Dienst Toeslagen in verschillende van zijn systemen gezocht naar het BSN-nummer van eiseres. Daarbij is, zo heeft Dienst Toeslagen gemotiveerd gesteld, niets gevonden: geen aanvragen of notities, documenten en/of stukken die aantonen dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd.
13. Het was vervolgens aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij wél aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dat niet gedaan. Eiseres heeft geen begin van bewijs geleverd dat zij kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, ontvangen of heeft moeten terugbetalen. Eiseres heeft gesteld dat zij een telefoongesprek heeft gevoerd op 1 januari 2011 ’s nachts. In dat gesprek zou zij hebben verzocht om (een herbeoordeling van haar recht op) kinderopvangtoeslag over (onder meer) de hier aan de orde zijnde jaren. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. De rechtbank wijst er daarbij nog op dat de gemachtigde van Dienst Toeslagen op de zitting heeft opgemerkt dat op het tijdstip waarop eiseres stelt te hebben gebeld er bij Dienst Toeslagen niemand aan het werk was. Voorts heeft de gemachtigde van Dienst Toeslagen er op de zitting op gewezen dat met een verzoek om een herbeoordeling gegevens overgelegd moeten worden, een dergelijke aanvraag kan niet telefonisch.
14. Op de zitting is verder vast komen te staan dat eiseres inderdaad op de FSV lijst heeft gestaan, maar dat haar registratie op de lijst betrekking had op haar belastingaangifte over het jaar 2014. In dat jaar had eisers voor haar kinderen - gelet op hun leeftijd - geen recht meer op kinderopvangtoeslag. Niet gebleken is dan ook van een verband tussen haar plaatsing op de FSV lijst en het niet toegekend krijgen van kinderopvangtoeslag (als al zou blijken dat zij aanvragen kinderopvangtoeslag heeft gedaan).
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen zich dan ook op basis van zorgvuldig onderzoek terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest en niet in aanmerking komt voor compensatie.
16. De rechtbank is van oordeel dat ook het beroep van eiseres op de hardheidsclausule niet slaagt. Eiseres heeft met hetgeen zij op dit punt heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat toepassing van artikel 2.1 van de Wht gelet op doel of strekking ervan voor haar zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
17. De rechtbank is niet gebleken dat Dienst Toeslagen wat betreft het besluit van 13 februari 2024 heeft gehandeld in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Het is juist dat het besluit van 13 februari 2024 niet uitgebreid is gemotiveerd, maar in het besluit wordt verwezen naar het informatie- en beoordelingsformulier dat met het besluit is meegestuurd. Verder blijkt uit het dossier dat naar aanleiding van het pro forma bezwaarschift dat is ingediend de gegevens uit het dossier van eiseres aan de gemachtigde van eiseres zijn gestuurd. Uit die gegevens blijkt in ieder geval waarom Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres heeft afgewezen. De rechtbank ziet ten slotte geen aanleiding om Dienst Toeslagen niet te volgen in zijn stelling dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiseres zijn verzonden.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 2.1. van de Wht luidt voor zover hier van belang:
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
(..)
Artikel 2.7. van de Wht luidt voor zover hier van belang:
1. Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend, kent de Dienst Toeslagen ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toe van € 30.000, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de bedragen die de aanvrager op het moment van toekenning van het forfaitaire bedrag al op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen. Bij vermindering tot nihil vindt geen toekenning plaats.
Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht luidt:
1. De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.