ECLI:NL:RBNNE:2026:615

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
25-019494
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Verordening 2018/1805Art. 36 WWETGCArt. 39 WWETGC
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse confiscatiebeslissing

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 25 februari 2026 het beroep van een veroordeelde tegen de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebeslissing van het Hof van beroep te Antwerpen uit 2019.

De veroordeelde voerde aan dat zijn bescheiden pensioen, AOW-uitkering, hoge leeftijd en ziekte van Parkinson hem verhinderen het bedrag van 400.000 euro te betalen. De officier van justitie stelde dat betalingsonmacht geen grond is om erkenning te weigeren.

De rechtbank overwoog dat de wetgever in artikel 36 van Pro de WWETGC bepaalt dat erkenning alleen geweigerd kan worden op de gronden van artikel 19 van Pro Verordening 2018/1805, welke persoonlijke omstandigheden en betalingsonmacht niet omvatten.

De rechtbank concludeerde dat de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen en verklaarde het beroep ongegrond. De veroordeelde kan zijn omstandigheden bij het CJIB naar voren brengen in de inningsprocedure.

Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer : 25-019494 cjib-nummer : [nummer]
Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 25 februari 2026 op het beroep op grond van artikel 39 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde,
raadsman mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam.
Procesverloop
Op 21 juli 2025 is beroep ingesteld tegen de op 5 augustus 2024 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 28 maart 2019 door het Hof van beroep te Antwerpen (België) opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van 400.000,00.
De raadsman is in de gelegenheid gesteld schriftelijk (aanvullende) gronden van beroep in te dienen na ontvangst van de stukken. De raadsman heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
De mondelinge behandeling heeft op 3 december 2025 en 11 februari 2026 plaatsgevonden. Veroordeelde is bij de laatstgenoemde zitting verschenen. De raadsman heeft voorafgaand aan deze zitting de rechtbank laten weten niet te zullen verschijnen. Het openbaar ministerie werd bij de behandeling vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. M. Kappeyne van de Coppello.
Motivering
1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld.
3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van Pro de WWETGC.
4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van Pro de WWETGC gelden:
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
5. Veroordeelde heeft ter zitting gesteld dat hij een bescheiden pensioen en een kleine AOW-uitkering ontvangt. Hij heeft overleg gehad met het CJIB over het betalen van het bedrag en hij heeft daarbij aangegeven dat er geen beslag kan worden gelegd op zijn pensioen omdat hij anders niet genoeg overhoudt voor levensonderhoud. Hij stelt daarnaast inmiddels 80 jaar te zijn en te lijden aan de ziekte van Parkinson.
6. De officier van justitie heeft aangevoerd dat een geringe of ontbrekende draagkracht geen grond kan zijn voor weigering van de erkenning van het opgelegde confiscatiebevel.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. De wetgever heeft in artikel 36 van Pro de WWETGC bepaald dat de officier van justitie de erkenning alleen kan weigeren op één van de gronden bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Verordening 2018/1805. De persoonlijke omstandigheden van veroordeelde en de op dit moment bestaande (eventuele) betalingsonmacht, vallen niet onder één van deze gronden en maken niet dat de officier van justitie de in België gegeven beslissing tot confiscatie niet zou kunnen erkennen en tenuitvoerleggen. Veroordeelde kan bij het CJIB zijn persoonlijke en financiële omstandigheden naar voren brengen bij de voortzetting van de inningsprocedure.
9. De rechtbank verwerpt het gevoerde verweer.
10. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een van de weigeringsgronden van artikel 19 van Pro Verordening 2018/1805 en dat hij in redelijkheid tot de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft kunnen komen. De rechtbank zal het ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is op 25 februari 2026 gegeven door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,
mr. W.S. Sikkema en mr. M.R. de Vries, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.
Mr. Sikkema is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.