ECLI:NL:RBNNE:2026:609

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/18/251856 / KG RK 26/33
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter in bestuursrechtelijke omgevingsvergunningzaak afgewezen

Verzoeker heeft tweemaal een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. G. Knuttel, de rechter die belast is met de behandeling van een bestuursrechtelijke procedure over een omgevingsvergunning tussen verzoeker en de gemeente Heerenveen. Het eerste wrakingsverzoek werd op 19 december 2025 kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker was hiervan niet op de hoogte door een verkeerde adressering en diende daarom op 19 januari 2026 een tweede wrakingsverzoek in.

De wrakingskamer heeft dit tweede verzoek beoordeeld en geoordeeld dat ook dit verzoek geen concrete feiten of omstandigheden bevat die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De rechtbank benadrukt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat miscommunicatie over de ontvangst van de eerdere beslissing geen grond voor wraking vormt.

De wrakingskamer verklaart het tweede wrakingsverzoek kennelijk ongegrond en bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek wordt achterwege gelaten. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt kennelijk ongegrond verklaard en de bestuursrechtelijke procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Assen
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/18/251856 / KG RK 26/33
Beslissing van 26 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. G. Knuttel,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 19 januari 2026, ingekomen ter griffie op 20 januari
2026, waarbij eveneens wordt verwezen naar een eerdere brief van verzoeker van 13 januari 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 20 januari 2026.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter die is belast met de behandeling van de bestuursrechtelijke procedure met zaaknummer [nummer] . In die zaak is aan de orde een geschil tussen de gemeente Heerenveen en verzoeker over een omgevingsvergunning.
2.2.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat “er weer niks ander op zit dan de rechtbank te wraken”. Voor de reden waarom hij opnieuw een wrakingsverzoek richt tegen deze rechter verwijst hij naar zijn eerdere brief van 13 januari 2026.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en voert daartoe aan dat ook dit tweede wrakingsverzoek opnieuw geen feiten of omstandigheden stelt die blijk geven van vooringenomenheid of gegronde vrees daarvoor.

3.De beoordeling

3.1.
Ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan een rechter alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld.
3.2.
De rechtbank overweegt dat verzoeker reeds eerder op 17 december 2025 een verzoek tot wraking van deze rechter heeft ingediend. De wrakingskamer heeft bij beslissing van 19 december 2025 hierop beslist en dit verzoek kennelijk ongegrond verklaard.
Vervolgens is het onderzoek door de rechter heropend en zijn partijen, waaronder verzoeker, op 9 januari 2026 uitgenodigd voor een zitting van 20 januari 2026. Daarop is door verzoeker gereageerd bij brief van 13 januari 2026. Uit de inhoud van deze brief kan worden afgeleid dat verzoeker op dat moment niet op de hoogte was van deze eerdere beslissing van de wrakingskamer. Uit navraag bij de griffie van de wrakingskamer bleek dat verzoeker door een verkeerde adressering de eerdere wrakingsbeslissing nog niet had ontvangen. Hierdoor meende verzoeker dat de eerste wraking nog “liep” en dat de rechter nog steeds niet verder mocht met de behandeling van de zaak. Dit berustte echter op miscommunicatie en is geen grond voor een wraking. Vervolgens is de wrakingsbeslissing door de griffie van de wrakingskamer alsnog aan verzoeker toegezonden.
De wrakingskamer is van oordeel dat ook aan onderhavig tweede verzoek tot wraking geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd zijn waaruit vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid.
3.3.
Het verzoek is dan ook kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan en zal daarom achterwege blijven.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking – kennelijk – ongegrond;
- bepaalt dat de hoofdzaak (met zaaknummer: [nummer] ) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevond;
- beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de rechter en de betrokken partij(en).
Aldus gegeven door mr. J. de Vroome, voorzitter, mr. J.S. Bartstra en mr. A.S. Venema-Dietvorst, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Wachtmeester-Koning op 26 januari 2026.
Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.