ECLI:NL:RBNNE:2026:608

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/18/252156 KG RK 26-50
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter wegens niet toelaten stukken afgewezen

De Stichting Platform Keelbos verzocht om wraking van mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter in de bestuursrechtelijke procedure tegen het college van Gedeputeerde Staten van Groningen. Het verzoek was gebaseerd op het feit dat verzoekster geen gelegenheid had gekregen om nieuwe stukken in te dienen.

De rechter had deze stukken buiten beschouwing gelaten omdat ze te laat waren ingediend en niet relevant waren voor de nog voorliggende vraag. De wrakingskamer oordeelde dat het niet toelaten van stukken een procesbeslissing is en alleen tot wraking kan leiden als deze beslissing onbegrijpelijk is en wijst op vooringenomenheid.

De wrakingskamer vond de motivering van de rechter begrijpelijk en zag geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Het verzoek werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt kennelijk ongegrond verklaard en de hoofdzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Assen
Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/252156 KG RK 26-50
Beslissing van 12 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
Stichting Platform Keelbos ,
gevestigd te Nuth ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. A.W.C.M. van Emmerik,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 waarin
het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 2 februari 2026.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de bestuursrechtelijke procedure met zaaknummer [nummer] tussen de Stichting Platform Keelbos als eiseres en het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen als verweerder.
2.2.
Verzoekster heeft aan haar wraking ten grondslag gelegd dat zij niet de gelegenheid heeft gehad om nadere stukken in te dienen.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten. Zij heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – gesteld dat na een heropeningsverzoek van verzoekster in de hoofdzaak op dinsdag 27 januari 2026 een nieuwe zitting heeft plaatsgevonden. Verzoekster had in het weekend voorafgaande aan de zitting, te weten op 24 januari 2026, nieuwe stukken per e-mail ingediend. De rechter heeft partijen op de zitting meegedeeld dat het zo laat nog indienen van stukken in strijd is te achten met de goede procesorde en dat die stukken daarom buiten beschouwing worden gelaten. Daarnaast zagen de stukken naar het oordeel van de rechter ook niet op de thans (nog) voorliggende vraag en waren zij in zoverre ook niet relevant. De beslissing om stukken niet in het geding toe te laten is een procesbeslissing, en kan geen reden vormen voor een wraking tenzij de beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de behandelend rechter jegens verzoekster vooringenomen is, althans dat de bij verzoekster bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Daarvan is in dit geval volgens de rechter geen sprake.

3.De beoordeling

3.1.
Voor de beoordeling van wrakingsverzoeken is de toepasselijke norm gegeven in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en liet Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
3.2.
Ingevolge artikel 8:15 van Pro de Awb kan een rechter alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij/zij als rechter is aangesteld.
3.3.
Verzoekster vindt dat de rechter vooringenomen is omdat zij een onjuiste beslissing zou hebben genomen. De rechter heeft op de zitting meegedeeld dat de door verzoekster ingediende stukken buiten beschouwing werden gelaten omdat deze stukken te laat waren ingediend en omdat deze stukken niet zagen op de specifieke vraag die (nog) voorlag. De juistheid van een rechterlijke beslissing kan echter alleen worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) is aangewend. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de mogelijke (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking.
Die situatie doet zich naar het oordeel van de wrakingskamer hier niet voor. Uit het
proces-verbaal van de zitting van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 blijkt dat de rechter heeft gemotiveerd waarom de betreffende stukken buiten beschouwing werden gelaten. De wrakingskamer acht deze motivering van de (proces)beslissing begrijpelijk en gelet daarop kan niet van (schijn van) vooringenomenheid van de rechter gesproken worden.
3.4.
Het verzoek is dan ook kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan en zal daarom achterwege blijven.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek – kennelijk – ongegrond;
- bepaalt dat de hoofdzaak (met zaaknummer: [nummer] ) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevond;
- beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster, de rechter en de betrokken procespartij(en), zijnde het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen.
Aldus gegeven door mr. J. de Vroome, voorzitter, mr. J.S. Bartstra en mr. F.P.
Dresselhuys-Doeleman, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Wachtmeester-Koning op 12 februari 2026.
Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.