ECLI:NL:RBNNE:2026:573

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
18.257004.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging en bedreiging ex-vrouw met gevangenisstraf en bijzondere voorwaarden

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 13 februari 2026 een man veroordeeld voor belaging en bedreiging van zijn ex-vrouw. De feiten betreffen een periode van 22 september tot en met 17 oktober 2025 waarin verdachte stelselmatig contact zocht via telefoongesprekken, berichten en voicemailberichten met bedreigende inhoud. Daarnaast bedreigde hij haar op 29 augustus 2025 met woorden van gelijke strekking.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs voldoende was voor belaging en bedreiging, maar sprak verdachte vrij van het bezoeken van de ex-vrouw op diverse locaties vanwege onvoldoende bewijs en het ontbreken van opzet. Verdachte had geen eerdere veroordelingen en er was sprake van een verstoorde dynamiek door het plotselinge vertrek van de ex-vrouw na 36 jaar huwelijk.

De straf bestaat uit vijf maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Bijzondere voorwaarden zijn een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij de GGZ, een contactverbod met de ex-vrouw en een locatieverbod voor Dokkum. De rechtbank kende ook een schadevergoeding toe van €2.510,- voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf, waarvan twee voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en een schadevergoeding van €2.510,-.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.257004.25
Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.J.H. Titahena, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in de periode van 29 augustus 2025 tot en met 5 november 2025 te Dokkum, Ter Apel, Surhuisterveen, Leeuwarden, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
-meermalen te bellen naar het telefoonnummer van haar en/of
-meermalen berichten naar haar te sturen en/of
-meermalen voicemailberichten in te spreken met onder andere de woorden 'het wordt een familiedrama', 'ik hoop dat ik straks niet zover ben dat ik jou de pijp uit laat gaan' en/of
-haar te bezoeken,
met het oogmerk, die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2.
hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Ter Apel [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [slachtoffer] dreigende de woorden toe te voegen ik snij je strot door, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde. Hij heeft ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde aangevoerd dat het een periode van ruim twee maanden betreft waarin verdachte een forse hoeveelheid berichten, telefoongesprekken, voicemailgesprekken en bezoeken aan aangeefster heeft gebracht, terwijl hij wist dat zij dat niet wilde. De periode, de verschillende manieren waarop verdachte contact met aangeefster heeft gezocht en de inhoud van de berichten maken dat sprake is van stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, zodat belaging kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot de algemene bewijsvraag van het onder 1. en 2. ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hij heeft echter ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde bezoeken van aangeefster het volgende aangevoerd:
- De bezoeken in Dokkum kunnen niet worden bewezen, omdat hiervoor geen bewijs aanwezig is.
Verdachte ontkent dat hij aangeefster daar heeft opgezocht. Aangeefster denkt dat zij verdachte heeft gezien en de getuigen kunnen dit niet bevestigen.
- Ook het bezoeken van aangeefster op [adres] kan niet worden bewezen. Verdachte is daar naar
toegegaan om vogels te spotten. Hij wist niet dat aangeefster daar ook aanwezig was en hij kon ook niet weten dat zij in dat buitengebied aanwezig was. Hij heeft daarom niet het opzet gehad om haar daar op te zoeken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde het volgende.
Uit de stukken blijkt dat aangeefster op 11 juli 2025 tegen verdachte heeft gezegd dat ze wilde scheiden. Uit de telefoongegevens van verdachte blijkt dat aangeefster en verdachte daarna diverse berichten naar elkaar sturen. Uit die berichten blijkt dat op 22 september 2025 aangeefster zegt dat ze wil dat verdachte haar met rust laat. Ze zegt hem dat ze hem niet meer wil zien of spreken. De rechtbank is van oordeel dat dit het moment is dat het verdachte moest weten dat zijn contact ongewenst was. Daarna blijft hij contact opnemen met aangeefster.
Uit de stukken volgt verder dat verdachte op 28 augustus 2025 aangeefster op de camping in Ter Apel heeft opgezocht. Dit bezoek valt naar het oordeel van de rechtbank in de periode dat nog sprake was van wederzijds contact. Hierdoor maakt dit bezoek geen deel uit van de belaging.
Volgens aangeefster is verdachte in de periode van 23 tot en met 25 september 2025 meerdere malen met zijn auto in de straat van de woning van aangeefster in Dokkum geweest. Aangeefster kent de auto van verdachte en herkende daardoor de auto. Verdachte ontkent dat hij bij de woning van aangeefster in Dokkum is geweest en hij stelt dat hij ook niet weet waar aangeefster woonachtig is.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster niet heeft gezien dat verdachte in de auto reed of wat het kenteken van de auto was, zodat ook niet vastgesteld kan worden dat het daadwerkelijk de auto van verdachte betrof. Door de getuigen [getuige] en [getuige] is een auto in de nabijheid van de woning van aangeefster gezien, maar zij kunnen niet bevestigen dat de bestuurder verdachte is geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte aangeefster in Dokkum heeft opgezocht zodat verdachte van dit incident zal worden vrijgesproken.
Uit de stukken blijkt dat aangeefster op 5 november 2025 zich in haar auto op [adres] bevond om vogels te spotten. Op een gegeven moment parkeerde een auto achter haar auto en verdachte stapte hieruit.
Volgens aangeefster maakte verdachte daarna snijbewegingen met zijn hand langs zijn keel. Verdachte erkent dat hij daar op die plek aangeefster is tegen gekomen, maar ontkent dat hij snijbewegingen met zijn hand heeft gemaakt. Tevens verklaart hij dat het toevallig was dat hij aangeefster daar tegen kwam en dat hij op het moment dat hij zijn auto daar parkeerde en uitstapte zich er niet van bewust was dat aangeefster daar ook aanwezig was. Alhoewel het op zijn minst genomen zeer toevallig is dat verdachte daar op dat moment ook was, is gelet op het voorgaande de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het opzet had om verdachte op 5 november 2025 op te zoeken, zodat verdachte van dit incident ook zal worden vrijgesproken.
Uit de stukken blijkt niet van meer momenten waarop verdachte aangeefster heeft opgezocht, daarom zal de rechtbank verdachte met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegd, te weten het bezoeken van aangeefster, vrijspreken.
Uit de stukken blijkt dat verdachte op 17 oktober 2025 voor het laatst telefonisch contact met aangeefster heeft geprobeerd op te nemen. De rechtbank acht daarom een periode van 22 september 2025 tot en met 17 oktober 2025 bewezen waarin verdachte contact met aangeefster heeft opgedrongen.
Voor de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b Wetboek van Strafrecht is volgens vaste jurisprudentie de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer van belang.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat aan bovengenoemd criterium voldaan. Verdachte heeft aangeefster meerdere malen geprobeerd te bellen, heeft meerdere berichten naar haar gestuurd en heeft haar voicemailberichten gezonden. Een deel van deze tekstberichten en voicemailberichten was erg heftig. Zo neemt verdachte afscheid en geeft aan dat hij er niet meer zal zijn, maar ook geeft hij aan dat er een moment is dat hij aangeefster vindt en dat het dan voor hen beiden te laat is. Ook bericht dat hij dat wil hij praten en wanneer aangeefster dat niet wil, het een familiedrama wordt en er is een bericht waarin hij stelt dat hij aangeefster de pijp uit laat gaan. De rechtbank vindt deze berichten erg intensief en bedreigend, zeker in de context dat verdachte aangeefster eerder heeft bedreigd en dat hij recent een zelfmoordpoging heeft gedaan.
De rechtbank stelt vast dat weliswaar sprake is van een relatief korte periode, maar dat gelet op de aard van de berichten, de frequentie, de intensiteit en de omstandigheden, naar objectieve maatstaven bezien, verdachte niet alleen wederrechtelijk maar ook stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 22 september 2025 tot en met 17 oktober 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
-meermalen te bellen naar het telefoonnummer van haar en
-meermalen berichten naar haar te sturen en
-meermalen voicemailberichten in te spreken met onder andere de woorden 'het wordt een familiedrama', 'ik hoop dat ik straks niet zover ben dat ik jou de pijp uit laat gaan'
met het oogmerk, die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
2.
hij op 29 augustus 2025 te Ter Apel [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] dreigende de woorden toe te voegen ik snij je strot door.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1. belaging;
2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 64 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van drie jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en de verplichting een ambulante behandeling te volgen. Daarnaast heeft hij oplegging van de maatregel 38v van het Wetboek van Strafrecht gevorderd, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor de plaats Dokkum voor een periode van vijf jaren, waarbij hechtenis wordt toegepast van twee weken bij de eerste overtreding van de maatregel, deze wordt telkens met een week verhoogd bij overtreding van de maatregel, tot een maximum van in totaal zes maanden. Tevens heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op het moment van de behandeling van de strafzaak. Ook heeft hij opheffing van de voorlopige hechtenis bepleit. Gelet op de door hem aangevoerde jurisprudentie van vergelijkbare strafzaken is naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen ruimte meer voor een voorwaardelijke straf. Waarbij ook in aanmerking moet worden genomen is dat verdachte first offender is en dat de periode van de belaging beperkt is. In het geval de rechtbank wel een voorwaardelijk strafdeel nodig acht heeft de raadsman gepleit voor oplegging van een voorwaardelijke taakstraf. De raadsman heeft geen bezwaar gemaakt tegen oplegging van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, maar hierbij moet wel rekening gehouden worden met de omstandigheid dat er nog wel contact moet zijn om de echtscheiding tussen verdachte en aangeefster te regelen. Hij heeft zich verzet tegen oplegging van een maatregel, als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, omdat dit onnodig is. In het geval de rechtbank deze maatregel wel oplegt dan heeft hij gepleit voor hechtenis van drie dagen bij overtreding van de maatregel met een maximum van 30 dagen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het advies indicatieoverleg van het Nederlands Instituut voor Psychiatrie en Psychologie van 23 oktober 2025, het reclasseringsadvies opgemaakt door Reclassering Nederland op 18 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer een maand schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vrouw en tevens heeft hij zijn ex-vrouw bedreigd. Nadat zijn ex-vrouw hem had verteld dat zij na een huwelijk van 36 jaar wilde scheiden heeft verdachte zich telefonisch aan haar opgedrongen. Nadat zij had aangegeven hier niet van gediend te zijn bleef hij doorgaan. Ook heeft hij haar opgezocht en haar bedreigd. Zelfs nadat zij van de bedreiging en de belaging aangifte had gedaan en de rechter-commissaris de voorlopige hechtenis van verdachte met onder meer een contactverbod had geschorst, zette verdachte zijn belaging voort. Door aldus te handelen heeft verdachte op grove en indringende wijze inbreuk gemaakt op het privéleven van zijn ex-vrouw. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring die zij ter zitting heeft voorgelezen. De gevoelens van angst en onveiligheid beheersten haar leven. Verdachte heeft zich hier kennelijk niet om bekommerd en heeft enkel gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om met zijn ex-vrouw in contact te komen. De
rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De voorlopige hechtenis van verdachte is op 3 oktober 2025 ingegaan en is tweemaal geschorst geweest.
Door de reclassering is een reclasseringsadvies uitgebracht. Volgens de reclassering is het leven van verdachte ingestort door het voor hem plotselinge vertrek van zijn ex-vrouw. Hierdoor zijn zijn huisvesting en financiën onzeker. De oorzaak van het delict gedrag lijkt volgens de reclassering gelegen in het onbegrip van verdachte voor het gedrag van zijn ex-vrouw, hij wil een verklaring van haar hebben.
Verdachte, bij wie een vermoeden van een licht verstandelijke beperking bestaat, kan niet met de ontstane situatie omgaan en lijkt niet goed te begrijpen wat er van hem wordt verwacht. Volgens de reclassering kunnen diagnostiek en behandeling meer inzicht geven in eventueel onderliggende problematiek. De reclassering acht het risico op delict gedrag aannemelijk vanwege de verstoorde dynamiek tussen verdachte en zijn ex-vrouw. Verdachte lijkt meer behoefte te hebben aan inzet van de Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: GGZ) ten aanzien van zijn psychische gesteldheid vanuit het verleden en de ontstane situatie aangaande zijn huwelijk dan justitiële interventies. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijk straf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met zijn ex-vrouw en het verplicht voortzetten van de ambulante behandeling bij de GGZ Friesland, of een soortgelijke zorgverlener, waarbij ook de mogelijkheid wordt gegeven voor -na tussenkomst van een rechter- een kortdurende klinische opname.
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf passend en geboden is. Voor belaging zijn geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. Daarom heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf voor het bewezen verklaarde met name gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd in vergelijkbare zaken. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de bedreiging.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van drie jaren passend en geboden is, en zal deze straf opleggen. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering verbinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de ambulante behandeling de verplichte inname van medicatie te verbinden. De rechtbank zal in aanvulling op de door de reclassering geadviseerde voorwaarden ook een locatieverbod voor de woonplaats Dokkum als bijzondere voorwaarde opleggen. Dit betreft de woonplaats van de ex-vrouw van verdachte.
Gelet op de hoogte van deze straf heeft de rechtbank tijdens de beraadslaging van de strafzaak middels een separate beslissing de opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 30 januari 2026 bevolen.
De rechtbank is van oordeel dat de bijzondere voorwaarden bij het voorwaardelijk strafdeel voldoende zijn om het gevaar op herhaling in te perken. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding voor het daarnaast opleggen van een maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van strafrecht, en door de officier van justitie is gevorderd.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 10,-- ter vergoeding van materiële schade en 3.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en met betrekking tot de immateriële schade heeft hij bepleit deze te matigen tot maximaal een bedrag van 750,-.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade, te weten de kosten van de nachtopvang, heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 augustus 2025.
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad vallen onder de categorie aantasting in de persoon op andere wijze enerzijds naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel en anderzijds gevallen waarin de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan een aanspraak op smartengeld rechtvaardigen.
In casu is stelselmatig en opzettelijk inbreuk gemaakt op de privacy van de benadeelde partij. De rechtbank stelt vast dat daarmee de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daar van voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van een persoonsaantasting.
De rechtbank zal naar billijkheid de hoogte van deze schade vaststellen en heeft hierbij acht geslagen op de Rotterdamse schaal en aansluiting gezocht bij de categorie voor toekenning van smartengeld bij belaging ernstig, waarvoor als bandbreedte een vergoeding van 2.000,- tot 5.000,- is gegeven. In dit geval acht de rechtbank een schadevergoeding van 2.500,- billijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de sprake is van belaging, die voorafgegaan is van een bedreiging. Tijdens de belaging werden er ook uitspraken gedaan die die zeer beangstigend waren voor de benadeelde partij, temeer in de context dat verdachte eerder een zelfmoordpoging heeft gedaan.
De rechtbank zal de immateriële schade tot een bedrag van 2.500,- toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2025, en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot twee maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden, dat de veroordeelde:
zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, [adres] , en zich vervolgens blijft melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
zich onder behandeling zal blijven stellen van de Geestelijke Gezondheidszorg Friesland, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, waarbij hij zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Wanneer de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich ook dan aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zoekt of heeft met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1970, tenzij dit contact plaatsvindt met tussenkomst van de advocaat van verdachte in verband met het regelen van de echtscheiding of met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd;
zich niet bevindt in de plaats Dokkum, de woonplaats van het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1970.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1. en 2. en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Benadeelde partij

Ten aanzien van feiten 1 en 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 2.510,- (zegge: tweeduizend en tien euro);
  • de wettelijke rente over 10,- vanaf 29 augustus 2025 tot de dag van de gehele voldoening en de wettelijke rente over 2.500,- vanaf 17 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor de overig gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.510,- (zegge: tweeduizend en tien euro), waarvan 10,-vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening en 2.500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 10,- aan materiële schade en 2.500,-aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2026.