ECLI:NL:RBNNE:2026:546

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
11860260 BU VERZ 25-2009
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)Reglement verkeersregels en verkeerstekens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen boete voor stilstaan op fiets/bromfietspad

Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens stilstaan op een fiets/bromfietspad aan de Fennen te Leeuwarden op 19 december 2024. Betrokkene stelde dat het bord G12a aan de andere zijde van de weg stond en dat de situatie onduidelijk was, waardoor hij niet op het fietspad zou hebben gestaan.

De kantonrechter oordeelde dat het niet gebruikelijk is dat het bord G12 aan beide zijden van de rijbaan wordt geplaatst, maar dat het bord wel betrekking heeft op beide zijden. De verklaring van de verbalisant dat het voertuig op het fietspad stond, werd als betrouwbaar beoordeeld. Het verweer van betrokkene en zijn gemachtigde werd onvoldoende geacht om de boete te vernietigen.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees de gevraagde proceskostenvergoeding af. Betrokkene werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na toezending van de beslissing.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete voor stilstaan op het fiets/bromfietspad wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 271312731
zaaknummer: 11860260 BU VERZ 25-2009
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 29 januari 2026
in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘stilstaan op een fiets/bromfietspad (niet de rijbaan gebruiken)’, verricht op 19 december 2024, om 10:48 uur, aan de Fennen te Leeuwarden, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 29 januari 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: Daarbij waren aanwezig: namens de gemachtigde O. van der Meer en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. P. Veenstra.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Beslissing

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Gemachtigde voert aan dat betrokkene de verweten gedraging betwist. Gemachtigde voert primair aan dat het bord G12a was geplaatst aan de andere zijde van de weg dan de zijde waar betrokkene parkeerde. Onder verwijzing naar het Reglement verkeersregels en verkeerstekens en jurisprudentie van het hof, stelt gemachtigde dat het bord G12 op de Fennen voor de gemiddelde weggebruiker alleen betrekking heeft op de rechterzijde van de rijbaan. De rijbaan is totaal niet afgebakend t.a.v. de reguliere rijbaan en veel te breed om alleen voor (brom)fietsen te zijn ingericht. Daarnaast ontkent betrokkene op het (brom)fietspad te hebben gereden. Subsidiair verzoekt betrokkene de boete te matigen tot nihil en meer subsidiair tot de helft, nu de situatie volgens betrokkene onduidelijk is voor meerdere mensen in zijn buurt en dat het bord en de wegindeling onlogisch en onduidelijk zijn geplaatst.
4. Door de vertegenwoordigster is aangevoerd dat zij het standpunt van de officier van justitie wil handhaven. De vertegenwoordigster heeft de kantonrechter verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
Kan de verweten gedraging worden vastgesteld?
5. In Wahv zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
5.1
Uit het aanvullend proces-verbaal 27 mei 2025 blijkt dat de verbalisant op pleegdatum en behorend tijdstip het voertuig van betrokkene aantrof op pleeglocatie en dat hij zag dat het voertuig geparkeerd stond op een fietspad, dat is aangegeven met het bord G12. De verbalisant verklaart dat hij met inachtneming van een pardontijd van 10 minuten geen activiteiten heeft waargenomen rondom het voertuig van betrokkene en dat de bestuurder van het voertuig niet aanwezig was. Hierdoor was het voor de verbalisant niet mogelijk om betrokkene als bestuurder staande te houden.
5.2
In hetgeen door gemachtigde namens betrokkene is aangevoerd, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de op ambtseed afgelegde verklaring van de verbalisant. Het enkele verweer dat het bord G12a was geplaatst aan de andere zijde van de weg dan de zijde waar betrokkene parkeerde, is daartoe onvoldoende. Hiertoe overweegt de kantonrechter dat het bij een (brom)fietspad niet gebruikelijk en verplicht is dat het bord G12 aan beide zijden van de rijbaan staat geplaatst. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat het voor de gemiddelde weggebruiker duidelijk is dat het bord G12 betrekking heeft op zowel de linker als de rechterzijde van de rijbaan. Dat het een brede rijbaan is doet hier niet aan af. Het verweer, dat de verkeerssituatie onduidelijk is, volgt de kantonrechter dan ook niet. Ook de verwijzing van gemachtigde naar jurisprudentie van het hof treft geen doel, nu deze situaties niet vergelijkbaar zijn met de onderhavige casus. De kantonrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van het hof van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij oplettend is op de aanwezige bebording en dat hij, indien hij met zijn voertuig ergens wil stilstaan of wil parkeren, de nodige moeite doet om zich ervan te vergewissen of dit ter plaatse is toegestaan. Dat betrokkene dat in dit geval heeft nagelaten, dient voor zijn eigen rekening en risico te komen.
5.3
Alles overwegende kan op basis van de beschikbare informatie voldoende worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. In het door gemachtigde namens betrokkene gevoerde verweer zijn geen omstandigheden gelegen die aanleiding geven tot een wijziging van de boete. De boete is terecht opgelegd. Het beroep wordt ongegrond verklaard. De door gemachtigde gevraagde proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier mr. F. Sijens, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.